Wat betekent ‘begeerte van het vlees’?

‘Begeerte van het vlees’ betekent in de Bijbel: de zondige verlangens van de mens die tegen Gods wil ingaan en iemand van God wegtrekken. Het gaat niet om het lichamelijke vlees op zichzelf, maar om de mens in zijn gevallen bestaan, waarin hartstochten, gedachten en verlangens door de zonde worden beheerst.

De Bijbel stelt de begeerte van het vlees tegenover het werk van Gods Geest. Wie naar het vlees leeft, richt zijn denken, voelen, willen en handelen op zondige verlangens; wie door de Geest leeft, zoekt Gods wil en leert die verlangens te weerstaan. ‘Want het vlees begeert tegen de Geest, en de Geest tegen het vlees; want deze staan tegenover elkaar, opdat u niet doet wat u wilt.’ (Galaten 5:17)

De verschillende betekenissen van het woord ‘vlees’

Op het eerste gezicht klinkt het vreemd dat de Bijbel het woord ‘vlees’ gebruikt voor zondige verlangens. Bij vlees denken we allereerst aan eten: een lekker stukje vlees. Maar het woord heeft in het dagelijks taalgebruik al meerdere betekenissen. Denk maar aan de uitdrukking ‘hij heeft genoeg vlees op de botten’, of de wat ouderwetse uitdrukking ‘vleselijke lusten’ en ‘hij is een mens van vlees en bloed’.

Precies hetzelfde zien we in de Bijbel terug. Het woord ‘vlees’ komt in de Bijbel in vijf betekenissen voor:

  1. Vlees als voedsel. De eerste betekenis is een heel bekende: vlees als eten. Denk maar aan de droom van de Farao: de zeven magere koeien aten de koeien die vet van vlees waren op (Genesis 41:1-4). Of het vlees dat door de raven bij Elia aan de beek Krith wordt gebracht (1 Koningen 17:5).
  2. Vlees als menselijk lichaam. Een tweede betekenis is vlees als aanduiding van het menselijk lichaam. Toen Elisa de zoon van de Sunamitische vrouw tot leven bracht, staat er dat het ‘vlees van het kind’ weer warm werd (2 Koningen 4:34). En in de wet voor de reiniging van een melaatse staat dat als hij rein is, zijn vlees met water moet wassen (Leviticus 14:9).
  3. Vlees als lichamelijk bestaan. Een derde betekenis van vlees is vlees als aanduiding voor het lichamelijke bestaan van de mens en soms ook het dier. In het begin van de Bijbel komen we dit al tegen. Als de HEERE ziet dat de mensen in de tijd van Noach in zonde leven, staat er dat ‘alle vlees een verdorven levenswandel op aarde had’ (Genesis 6:12).
  4. Vlees als aanduiding van kwetsbaarheid en tijdelijkheid. Een vierde betekenis is vlees als aanduiding van de tijdelijkheid en kwetsbaarheid van de mens - en tegelijkertijd dus ook zijn afhankelijkheid van God. In Jesaja 40:6 staat dat ‘alle vlees gras’ is.
  5. Vlees als de zondige natuur. De vijfde betekenis is de diepste: vlees ‘als een omschrijving voor het slechte in de mens’. Dit staat tegenover ‘dat wat door Gods Geest gewerkt wordt’. Hier verwijst de uitdrukking ‘vleselijke lusten’ ook naar: al onze begeerten die tegen Gods wet ingaan.

Het is heel belangrijk om dit slechte los te zien van ‘vlees op je botten’. Het slechte van de mens zit niet in zijn lichaam of in een bepaald deel van zijn lichaam. Als de Bijbel het heeft over het vlees, dan duidt dat op de mens in zijn totaliteit: de mens is niet een beetje zondig, maar hij is in zijn geheel verdorven.

Daar wordt mee bedoeld dat de mens, zoals hij in zichzelf is: hij haat God en zijn naaste. Dat is die oude mens. Het vlees is namelijk vijandschap tegen God en het vlees kan God niet behagen (Rom. 8:7-8).

Begeerte van het vlees in 1 Johannes 2

Volgens Johannes zijn er drie dingen waar we voor moeten waken, als het gaat om het voeden van verlangens: de begeerte van het vlees, de lust van de ogen en de pracht van het leven. Dat is namelijk niet uit de Vader, maar uit de wereld.

Johannes stelt het liefhebben van de wereld ten opzichte van het liefhebben van God. ‘Hebt de wereld niet lief en hetgeen in de wereld is. Indien iemand de wereld liefheeft, de liefde des Vaders is niet in hem.’

De apostel Johannes waarschuwt mensen die de Heere lief kregen voor het voeden van zondige verlangens. Johannes zegt dit met het oog op de wereld die voorbijgaat. Als we in alle opzichten onze verlangens vullen met wat hier onze aandacht trekt, houdt dat ons weg bij de Heere.

‘Want al wat in de wereld is: de begeerte des vlezes, de begeerte der ogen en een hovaardig leven, is niet uit de Vader, maar uit de wereld. En de wereld gaat voorbij en haar begeren, maar wie de wil van God doet, blijft tot in eeuwigheid’ (1 Johannes 2:15 t/m 17).

Drie soorten zondige verlangens

Volgens Johannes zijn er drie soorten van verlangens die ons weghouden bij de Heere (1 Joh. 2:16). Calvijn werkt ze als volgt uit:

Bijbelse aanduidingUitwerking
Begeerlijkheid van het vleesOngeregeld en zonder maat het vlees najagen.
Begeerte van de ogenZowel ijdelheid als onkuisheid najagen.
Hoogmoed van het levenBlinde liefde voor zichzelf najagen.

De puritein Nathanaël Hardy (1618-1670) stelt dat de duivel onze begeerten gebruikt om daarmee als wapens tegen ons te strijden. Hij legt de drie aandachtspunten van Johannes als volgt uit:

  • De lust van het vlees: sensuele genoegens.
  • De lust van de ogen: rijkdom.
  • De trots van het leven: eer.

Hij ziet dat op dit punt het gedrag van mensen in verschillende levensfasen verschilt. Hij zegt: ‘Mannen in het begin van hun dagen zijn het meest vatbaar voor de lusten van het vlees, in de voortgang van hun leeftijd tot de trots van het leven, op hun oude dag tot de hebzuchtige lust van de ogen.’

Wat zijn vleselijke begeerten?

Het vlees heeft hartstochten, begeerten (Ef. 2:3; Gal. 5:16, 17, 24; Rom. 13:14; 1 Petr. 2:11), heeft een wil (Ef. 2:3, Gal. 5:17). Menselijke verlangens verleiden ons tot zonde.

De mens werd met sterke verlangens geschapen, verlangens die voor het leven noodzakelijk zijn. Wij hebben lichamelijke behoeften aan eten, water en onderdak. Wij hebben sociale behoeften aan vriendschap, goedkeuring en seksuele voltooiing.

Deze door God gegeven behoeften worden door verlangens ondersteund. God heeft de mens ook de verantwoordelijkheid gegeven zijn verlangens te beheersen, die waar nodig in toom te houden, en op een rechtvaardige en morele wijze te bevredigen.

De begeerte zelf is dus niet altijd hetzelfde als een uitgevoerde zonde. Lusten en begeerten zijn zonden die we hebben. Maar pas als we handelen volgens deze lusten en begeerten worden ze zonden die we gedaan hebben.

Jakobus beschrijft hoe dat proces verloopt: ‘Maar zo vaak iemand verzocht wordt, komt dit voort uit de zuiging en verlokking zijner eigen begeerte. Daarna, als die begeerte bevrucht is, baart zij zonde; en als de zonde volgroeid is, brengt zij de dood voort’ (Jacobus 1:13 t/m 15).

Voorbeelden van de werken van het vlees

Paulus noemt verschillende uitingen van het leven naar het vlees: ‘Het is duidelijk, wat de werken van het vlees zijn: hoererij, onreinheid, losbandigheid, afgoderij, toverij, veten, twist, afgunst, uitbarstingen van toorn, zelfzucht, tweedracht, partijschappen, nijd, dronkenschap, brasserijen en dergelijke’ (Galaten 5:19 t/m 21).

Deze lijst maakt duidelijk dat de begeerte van het vlees niet alleen betrekking heeft op seksualiteit. Ook afgunst, boosheid, eerzucht, hebzucht, zelfzucht, ruzie en partijschap kunnen uit het vlees voortkomen.

  • seksuele onreinheid en losbandigheid;
  • afgoderij en toverij;
  • vete, twist en tweedracht;
  • afgunst, nijd en zelfzucht;
  • uitbarstingen van toorn;
  • dronkenschap en brasserijen;
  • hebzucht en verkeerde begeerte;
  • hoogmoed en praalzucht.

De mens kan zich volgens Hardy begraven in zijn verlangens. Daar waarschuwt hij voor. Want dat leidt tot de ondergang.

De begeerte van het vlees is niet hetzelfde als het lichaam

Ons vlees is niet vanzelf slecht. ‘Het Woord is vlees geworden en het heeft onder ons gewoond’ (Johannes 1:14). Na Zijn opstanding zei Jezus: ‘Betast Mij en ziet, dat een geest geen vlees en beenderen heeft, zoals gij ziet dat Ik heb’ (Lucas 24:39). God heeft Zich in het vlees geopenbaard (1 Timoteüs 3:16).

Het lichaam van de Heer Jezus was een menselijk lichaam en leek op het lichaam van de zondige mensen in de wereld. Er was echter een inwendig verschil: zijn lichaam was zonder zonde.

Het vlees van Christus was zonder zonde, terwijl de mens in zijn gevallen bestaan door zondige verlangens wordt beheerst. Daarom moet de uitdrukking ‘begeerte van het vlees’ niet worden opgevat alsof het lichaam zelf slecht zou zijn.

Het probleem is dat ons vlees sterke verlangens heeft. De door God gegeven lichamelijke en sociale behoeften kunnen door de zonde worden verdraaid, zodat de mens niet langer Gods wil zoekt, maar zichzelf en zijn verlangens tot norm maakt.

De zondige natuur volgens Paulus

Het woord ‘vlees’ wordt ook gebruikt voor de zondige natuur van het lichaam van de mens. In het vlees is de zonde (Rom. 8:3 “de zonde in het vlees”), de zondige natuur. De zonde woont in mij, “dat is in mijn vlees” (Rom. 7:18).

Paulus zegt: ‘Dus ikzelf dien wel met het denken de wet van God, maar met het vlees de wet van de zonde’ (Romeinen 7:26).

De zonde in het vlees wekt in mij, naar aanleiding van een verbod om te begeren, een begeerte op (Rom. 7:8). De wet kon niet redden ‘omdat zij zwak was door het vlees’ (Romeinen 8:3).

‘Want toen wij in het vlees waren, werkten de zondige hartstochten, die door de wet geprikkeld worden, in onze leden, om voor de dood vrucht te dragen’ (Romeinen 7:5).

De gezindheid van het vlees

Het zondige vlees kan verkeerde gedachten ingeven, tot verkeerde voornemens leiden. Het einde, de opbrengst, het loon is de dood.

‘Want het denken van het vlees is de dood, maar het denken van de Geest is leven en vrede’ (Romeinen 8:6).

Wat het vlees bedenkt is vijandschap tegen God. Want het onderwerpt zich niet aan de wet van God en kan dat ook niet (Rom. 8:7).

‘Want wat het vlees bedenkt, is de dood, maar wat de Geest bedenkt, is leven en vrede; omdat wat het vlees bedenkt, vijandschap is tegen God, want het onderwerpt zich niet aan de wet van God, want het kan dat ook niet’ (Romeinen 8:6-7).

Tegenover het denken van het vlees staat het denken van de Geest. Wat de Geest bedenkt is leven en vrede (Rom. 8:6).

‘Naar het vlees leven’

‘Naar het vlees zijn’ (Rom. 8:5) is leven, denken, voelen, willen, doen en laten overeenkomstig de begeerten van het vlees. Tegenover naar het vlees zijn staat naar de Geest zijn.

‘Want zij die naar het vlees zijn, bedenken de dingen van het vlees; maar zij die naar de Geest zijn, de dingen van de Geest’ (Romeinen 8:5).

Naar het vlees wandelen (Rom. 8:4) is zich gedragen overeenkomstig de hartstochten en begeerten van het vlees. Tegenover het wandelen naar het vlees staat het wandelen naar de Geest, die in de gelovige woont.

Paulus schrijft: ‘Derhalve, broeders, zijn wij schuldenaars, maar niet van het vlees, om naar het vlees te leven. Want indien gij naar het vlees leeft, zult gij sterven; maar indien gij door de Geest de werkingen des lichaams doodt, zult gij leven’ (Romeinen 8:12-13).

Een onverlost mens, die de Geest van God niet heeft, is in het vlees en in de macht van de zonde in het vlees. Hierdoor kan hij God niet behagen (Rom. 8:8).

‘En zij die in het vlees zijn, kunnen God niet behagen. Maar u bent niet in het vlees maar in de Geest, als inderdaad Gods Geest in u woont; maar als iemand de Geest van Christus niet heeft, die behoort Hem niet toe’ (Romeinen 8:8-9).

De innerlijke strijd tussen vlees en Geest

In het hart van iedere gelovige woedt een voortdurende strijd tussen de oude en de nieuwe natuur. De oude natuur is erg actief en laat geen gelegenheid onbenut om al haar dodelijke wapens uit de wapenkamer te gebruiken tegen de nieuwe natuur.

Aan de andere kant is de nieuwe natuur voortdurend alert om de vijand tegen te houden en te onderwerpen. De genade in ons zal het gebed, het geloof, de hoop en de liefde hanteren met het doel de vijand buiten de deur te houden.

Deze twee tegenover elkaar staande naturen zullen nooit ophouden te strijden, zolang we in deze wereld zijn. De vleselijke begeerten voeren strijd tegen onze ziel (1 Pe 2:11). We worden van twee kanten getrokken.

Daarom kunnen we niet maar doen wat we willen. Want wat we willen kan voortkomen uit een vleselijke begeerte, Gal. 5:17. We kunnen de begeerte van het vlees al of niet volbrengen, Gal. 5:16.

Om te voorkomen dat we de begeerte van het vlees volbrengen, moeten we wandelen door de Geest, Gal 5:16.

De vijand heeft zich zo veilig in ons verschanst, dat hij nooit verdreven kan worden, zolang wij in dit lichaam zijn. Maar ondanks het feit dat we vaak omsingeld worden, en in een hevige strijd verwikkeld zijn, hebben wij een almachtige Helper, namelijk Jezus, de overste Leidsman van onze zaligheid.

Hij is eeuwig met ons en verzekert ons, dat wij dankzij Hem uiteindelijk meer dan overwinnaars zullen zijn. Strijd jij op dit moment met je tegenstander? Staan de satan, de wereld en het vlees tegenover je? Heb goede moed en wees niet ontroerd.

Strijd verder, want God Zelf is met je! De Heere is je Banier en Hij is de Heelmeester van je wonden. Blijf strijden, ziende op Jezus.

Wandelen door de Geest

Paulus zegt: ‘Maar ik zeg: wandelt door de Geest, en u zult de begeerte van het vlees geenszins volbrengen’ (Galaten 5:16).

‘Want het begeren van het vlees gaat in tegen de Geest en dat van de Geest tegen het vlees - want deze staan tegenover elkander - zodat gij niet doet wat gij maar wenst’ (Galaten 5:17).

Naar de Geest wandelen betekent dat wij ons richten op de dingen van de Geest: ‘Want zij, die naar het vlees zijn, hebben de gezindheid van het vlees, en zij, die naar de Geest zijn, hebben de gezindheid van de Geest’ (Romeinen 8:5).

De gezindheid van de Geest hebben, betekent dat onze denkwijze door Gods Geest wordt geleid. Paulus verklaart: ‘Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, gezeten aan de rechterhand Gods. Bedenkt de dingen, die boven zijn, niet die op de aarde zijn’ (Kolossenzen 3:1-2).

Onze gezindheid is een kwestie van leven en dood. ‘Want de gezindheid van het vlees is de dood, maar de gezindheid van de Geest is leven en vrede’ (Romeinen 8:6).

De vrucht van de Geest

Paulus stelt de werken van het vlees tegenover de vrucht van de Geest: ‘Maar de vrucht van de Geest is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid, zelfbeheersing’ (Galaten 5:22-23).

‘Tegen zodanige mensen is de wet niet. Want wie Christus Jezus toebehoren, hebben het vlees met zijn hartstochten en begeerten gekruisigd. Indien wij door de Geest leven, laten wij ook door de Geest het spoor houden’ (Galaten 5:23-25).

Wie door de Geest leeft, wordt dus niet door zijn verlangens beheerst, maar leert liefde, zelfbeheersing en gehoorzaamheid. Dat betekent niet dat de innerlijke strijd onmiddellijk verdwenen is, maar wel dat de gelovige een nieuwe richting en nieuwe kracht ontvangt.

De begeerte van het vlees en verzoeking

Jezus zei tegen Petrus: ‘Waakt en bidt, dat gij niet in verzoeking komt; de geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak’ (Matteüs 26:41).

Hier verwijst ‘vlees’ naar de gammele, fysische kant van ons bestaan met verlangens, gevoelens en angsten die een gemakkelijke prooi voor de zonde zijn. Het vlees is zwak. Dat is ons grootste probleem.

Daarom moeten wij bidden om verleidingen te weerstaan. We moeten streven om het goede te doen al is ons vlees zwak.

‘Gij hebt geen bovenmenselijke verzoeking te doorstaan. En God is getrouw, die niet zal gedogen, dat gij boven vermogen verzocht wordt, want Hij zal met de verzoeking ook voor de uitkomst zorgen, zodat gij ertegen bestand zijt’ (1 Korintiërs 10:13).

Verleidingen moeten wij weerstaan en vermijden. Zo veel mogelijk moeten wij de verleidingen uit de weg gaan.

Welke waarde heeft het gebed, ‘Leid ons niet in verzoeking,’ indien wij gaan waar wij verzocht zullen worden? Iemand die een probleem met de drank heeft, moet niet op café gaan, of iemand bezoeken die hij weet hem zal proberen te doen drinken.

Jonge mensen die uitgaan moeten situaties vermijden waar zij misschien verleid zouden worden om ontucht te plegen. Wij moeten mensen vermijden die proberen ons over te halen verkeerde dingen te doen.

Paulus waarschuwt: ‘Misleidt uzelf niet; slechte omgang bederft goede zeden’ (1 Korintiërs 15:33). Dit geldt eveneens voor slechte omgang via sociale media.

De begeerte van het vlees in het dagelijks leven

In Eden had Eva geen gebrek aan voedsel, maar zij heeft gekozen de verboden vrucht te eten toen zij ‘zag, dat de boom goed was om van te eten, en dat hij een lust was voor de ogen, ja, dat de boom begeerlijk was om daardoor verstandig te worden’ (Genesis 3:6).

Wat dat derde punt betreft, heeft zij gekozen een slang te geloven in plaats van God. Adam heeft gekozen naar Eva te luisteren in plaats van God. Eva probeerde de slang de schuld te geven. Adam probeerde God de schuld te geven omdat Hij Eva aan hem had geschonken.

Maar in werkelijkheid waren Eva en Adam verantwoordelijk voor hun eigen zondige keuzen en de gevolgen.

Ook Kaïn maakte een zondige keuze. Toen God het offer van Kaïn niet aanvaardde omdat zijn daden slecht waren, en het offer van Abel wel aanvaardde omdat hij rechtvaardig was, ‘werd Kaïn zeer toornig’ (Genesis 4:5).

God waarschuwde Kaïn: ‘Doch indien gij niet goed handelt, ligt de zonde als een belager aan de deur, wiens begeerte naar u uitgaat, doch over wie gij moet heersen’ (Genesis 4:7).

God beloofde Kaïn te aanvaarden indien hij deed wat juist was, en waarschuwde hem om over zijn zondige verlangens te heersen. In de plaats daarvan vermoordde Kaïn zijn broer.

Seksuele begeerte en lichamelijke verlangens

De begeerte van het vlees kan ook betrekking hebben op seksuele verlangens. Deze verlangens behoren tot het menselijk bestaan, maar buiten Gods wil worden ze zondig.

Het lichaam is echter niet voor de hoererij, maar voor de Heere en de Heere voor het lichaam. Weet u niet dat uw lichamen leden zijn van Christus?

‘Vlucht weg van de hoererij. Elke zonde die een mens doet, is buiten het lichaam, maar wie hoererij bedrijft, zondigt tegen zijn eigen lichaam. Of weet u niet, dat uw lichaam een tempel is van de Heilige Geest, Die in u is en Die u van God hebt ontvangen, en dat u niet van uzelf bent?’

‘U bent immers duur gekocht. Verheerlijk daarom God in uw lichaam en in uw geest, die van God zijn.’

Christen-zijn betekent een ‘no-go’ voor seksuele gemeenschap buiten het huwelijk. Het lichaam mag niet door seksuele begeerten worden beheerst, maar behoort aan de Heere toe.

Hoe worden vleselijke begeerten gedood?

Paulus schrijft: ‘Maar doet de Heer Jezus Christus aan, en wijdt geen zorg aan het vlees om aan begeerten te voldoen’ (Romeinen 13:14).

De redding uit genade betekent niet dat wij aan de begeerten van het vlees mogen toegeven. ‘Mogen wij bij de zonde blijven, opdat de genade toeneme? Volstrekt niet! Immers, hoe zullen wij, die der zonde gestorven zijn, daarin nog leven?’ (Romeinen 6:1-2).

‘Want wie Christus Jezus toebehoren, hebben het vlees met zijn hartstochten en begeerten gekruisigd’ (Galaten 5:24).

Paulus schreef: ‘Ik tuchtig mijn lichaam en houd het in bedwang, om niet, na anderen gepredikt te hebben, wellicht zelf afgewezen te worden’ (1 Korintiërs 9:27).

‘Want gij zijt geroepen, broeders, om vrij te zijn; gebruikt echter die vrijheid niet als een aanleiding voor het vlees’ (Galaten 5:13).

In geestelijke zin betekent het kruisigen van het vlees dat zondige verlangens niet langer toestemming krijgen om het leven te beheersen. De mens leert zijn verlangens te onderwerpen aan Gods wil.

Een mijnenveld van lusten en begeerten

Onze tijd in het vlees kan je vergelijken met een reis door een mijnenveld. Er is gestrooid met lusten en begeerten die ons trekken, zelfs al weten we heel goed dat die ons kunnen laten ‘exploderen’.

Dat zijn jaloersheid, boosheid, ontrouw, haat, egoïsme, enz. We weten hoe gevaarlijk deze dingen zijn.

Voordat Jezus mens werd was het mijnenveld donker, niemand had er een weg doorheen gebaand, mensen struikelden er hulpeloos rond, zonder in staat te zijn de zonde te vermijden.

Maar toen kwam Jezus met precies hetzelfde vlees en bloed als wij, en van het begin van Zijn leven tot aan Zijn dood op Golgotha, vond Hij de weg door het mijnenveld zonder ook maar één keer te vallen voor de gevaren die daar waren.

Met andere woorden, wanneer Hij daar lusten en begeerten vond, liet Hij niet toe dat ze zouden leven. Hij bracht ze in de dood - ‘de dood van Jezus’.

Toen Hij klaar was met het banen van de weg, stuurde Jezus de Heilige Geest, die bij Hem was toen Hij de weg baande om nu ons de weg te wijzen. De Heilige Geest is onze gids door het vlees, die ons laat zien hoe we op de smalle weg kunnen blijven.

We hebben ook de geschriften die ons pad verlichten. ‘Uw woord is een lamp voor mijn voet en een licht op mijn pad.’ Psalm 119:105.

Een praktische weg van weerstaan

Wij hebben hetzelfde vlees als Jezus, dat veld vol met mijnen, de lusten en begeerten. Dat zijn zonden die we in ons lichaam hebben. Maar alleen dat we ze hebben betekent niet dat we ze moeten doen.

Integendeel, als discipelen van Jezus Christus volgen wij onze voorloper op de weg die Hij gebaand heeft, en brengen alles wat we vinden direct in de dood van Jezus.

De hebzuchtbom hoeft niet te exploderen. De lust van onreinheid hoeft niet de lucht in te gaan. Als wij deze bommen vinden, maken we ze onmiddellijk onschadelijk in de kracht van de Heilige Geest, die dat al eerder gedaan heeft en het graag nog eens wil doen.

Hoe doe je dat? Eerst veroordeel je het. ‘Dit is zonde; dit is afgunst, of wat het ook is, dat is kwaad en slecht, en leidt alleen maar tot schade voor mij en voor allen die het raakt.’

Daarna haten we het. ‘God help me om dit zo slecht te zien als dat het werkelijk is, help mij om te zien en te begrijpen hoe gevaarlijk het is om het te laten leven, help mij om het met mijn hele hart te haten en rechtvaardigheid lief te hebben en U meer lief te hebben dan mijn lusten.’

Op die manier dood ik het. ‘God, geef mij alle kracht en sterkte die ik nodig heb om dit te weerstaan, om te overwinnen over gedachten en begeerten, en in plaats daarvan Uw wil te doen.’

Van begeerte naar vrede

Dan stoppen we de zonde voor ze bevrucht is, voor het zonde wordt, voor die tijd heeft om dood en verderf te veroorzaken (Jacobus 1:14-15).

Stel je voor hoeveel beter het is om slechte of hatelijke gedachten te stoppen op hetzelfde ogenblik dat je ze opmerkt, als ze nog maar een zaadje van afgunst zijn, in plaats van ze te laten groeien en ontwikkelen tot grote problemen.

Het leven zonder de last van de zonde is niet te vergelijken met het leven waarin je de lusten dient. Wat ontdekken we dan, als we de dood van Jezus in ons lichaam omdragen, als we de zonde doden? Dat het leven vol is met vrede en rust.

‘Zij, die uw wet liefhebben, hebben grote vrede en er is voor hen geen struikelblok’ (Psalm 119:165).

Alle onrust is resultaat van het hebben van zonde die niet in de dood is gebracht. ‘Waaruit komt bij u strijden en vechten voort? Is het niet hieruit: uit uw hartstochten, die in uw leden zich ten strijde toerusten?’ (Jacobus 4:1).

Als deze lusten in de dood zijn gebracht, zodat ze niet langer kunnen roepen dat ze bevredigd willen worden, ontstaat er vrede. Het mijnenveld is ‘opgeruimd’, en in plaats van dood en verderf te veroorzaken, kan onze natuur vruchten vol leven gaan voortbrengen - deugden van Christus.

Dat is de nieuwe schepping die God dan kan vormen in ons leven. Dan zijn we werkelijk vrij.

Lijden en het kruisigen van het vlees

Als we bevrijd willen worden van het vlees, dan vinden we hiervoor een belangrijke aanrijking en waarschuwing in 1 Petrus 4:1-2: ‘Daar Christus dan naar het vlees geleden heeft, moet ook gij u wapenen met dezelfde gedachten, dat wie naar het vlees geleden heeft, onttrokken is aan de zonde, om niet meer naar de begeerten van mensen, maar naar de wil van God de tijd die nog rest in het vlees, te leven.’

Petrus waarschuwt hier dat we niet zonder slag of stoot bevrijd worden van het vlees. Daarom moeten we ons met die verwachting wapenen en bereid zijn om alles te omarmen wat nodig is om vrij te worden van de overheersing van onze vleselijke natuur.

Het lijden ligt in het kruisigen van ons vlees. Want wie Christus Jezus toebehoren, hebben het vlees met zijn hartstochten en begeerten gekruisigd.

Voor niemand is het kruisigen van zijn of haar vlees een pijnloze gebeurtenis. In geestelijke zin slaan we de nagels door onze eigen handen en voeten en hangen onszelf aan het kruis.

Een gelovige kan bijvoorbeeld moeten kiezen tussen een sterke persoonlijke wens en gehoorzaamheid aan God. De stem van het vlees zegt dan: ‘Maar ik houd van hem!’ Daarna zegt ze echter: ‘Maar ik houd nog meer van Jezus.’

Opnieuw zegt de stem van het vlees: ‘Maar ik wil de zekerheid van een leuke, lieve man en kinderen.’ Maar onmiddellijk slaat ze de tweede spijker door haar linkerhand en zegt: ‘Maar alleen als God een man aan me geeft.’

De stem komt opnieuw terug: ‘Maar stel dat ik de rest van mijn leven alleen blijf.’ Opnieuw pareert ze en slaat de laatste spijker door haar voeten, door te zeggen: ‘Ik kies alleen een man die net als ik de Heer op de eerste plaats zet!’

Begrijp je het? Onze beide handen en voeten moeten gekruisigd worden. En dat is soms heel pijnlijk, maar het duurt niet lang.

De oude mens en de nieuwe mens

Kerkvader Augustinus had voor zijn bekering een wild en losbandig leven. Het verhaal gaat dat hij na zijn bekering eens een ‘oude vlam’ tegenkwam. ‘Augustinus!’ riep deze vrouw. Toen Augustinus haar herkende, begon de bisschop hard weg te lopen.

‘Ik ben het!’ riep de vrouw hem na. Augustinus keerde zich om en zei: ‘Maar ik ben het niet; de oude Augustinus is dood en ik ben een nieuw schepsel in Christus Jezus.’

Augustinus heeft het hier over zijn ‘oude mens’ die met Christus gestorven is. Hij is met Christus opgestaan en is nu een ‘nieuw mens’.

Als de Geest van Christus door het geloof in je woont is je oude mens met Hem gestorven en ben je als nieuw schepsel met Christus opgestaan - net zoals Augustinus daarover schrijft.

Je wil dan ook niet meer naar het vlees leven. Daar zit wel een zekere spanning in: wie in Christus gelooft is een nieuw schepsel, maar die oude mens zal wel weer telkens de kop opsteken.

Dit is een ontstellende realiteit: aan de ene kant roept Paulus het uit ‘ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam van deze dood’ (Romeinen 7:24), en aan de andere kant kan Paulus ook uitroepen: en ik leef, maar niet meer ik, maar Christus leeft in mij (Galaten 2:20).

Deze inwendige strijd duurt voor een christen tot op het moment dat hij sterft. Dan sterft ook zijn oude mens en zal hij voor altijd nieuwe mens zijn.

Verlossing door Christus

Om het probleem van de zonde in het vlees op te lossen, heeft God zijn Zoon gezonden en wel ‘in een gedaante gelijk aan het vlees van de zonde’ (Rom. 8:3).

Toen de Heer Jezus gekruisigd werd, is de zonde in het vlees plaatsvervangend veroordeeld. Zijn lichaam werd in plaats van ons vlees gekruisigd.

Wie in de Heer Jezus gelooft als degene die plaatsvervangend voor hem gestorven is, heeft ‘het vlees met de hartstochten en begeerten gekruisigd’ (Gal. 5:24).

Alleen Christus kan ons uit de zwakheid van ons vlees redden. Door Jezus Christus kunnen wij, Gode zij dank, verlost worden van de straf voor onze zonden.

Gelovigen moeten Christus aandoen om behouden te worden. ‘Maar doet de Here Jezus Christus aan en wijdt geen zorg aan het vlees, zodat begeerten worden opgewekt’ (Romeinen 13:14).

Een gelovige, die zich van zijn zonden heeft bekeert, krijgt door de doop de toegang tot de offerdood van Christus. ‘Wij zijn dan met Hem begraven door de doop in de dood, opdat, gelijk Christus uit de doden opgewekt is door de majesteit des Vaders, zo ook wij in nieuwheid des levens zouden wandelen’ (Romeinen 6:4).

Dit nieuw leven in Christus betekent dat wij niet meer naar het vlees wandelen, maar naar de Geest.

Het lichaam en de toekomstige opstanding

Vanwege de zonde is ons lichaam dood (Rom. 7:24; 8:10). Het dood-zijn van ons lichaam betekent in elk geval dat ons lichaam onderworpen is aan de dood, het is sterfelijk.

‘Maar als Christus in u is, dan is het lichaam wel dood vanwege de zonde, maar de Geest is leven vanwege de gerechtigheid’ (Romeinen 8:10).

Ons tegenwoordige aardse lichaam, ‘dit lichaam van de dood’ (Rom. 7:24), zal bij de komst van Christus levend gemaakt worden door de Geest van God die in ons woont.

‘En als de Geest van Hem die Jezus uit de doden heeft opgewekt, in u woont, dan zal Hij die Christus uit de doden heeft opgewekt, ook uw sterfelijke lichamen levend maken door zijn Geest die in u woont’ (Romeinen 8:11).

‘Want dit vergankelijke moet onvergankelijkheid aandoen en dit sterfelijke onsterfelijkheid aandoen. En wanneer dit vergankelijke onvergankelijkheid zal aandoen, en dit sterfelijke onsterfelijkheid zal aandoen, dan zal het woord uitkomen dat geschreven staat: “De dood is verslonden tot overwinning”’ (1 Korintiërs 15:53-54).

Het onderscheid tussen letterlijk vlees en geestelijk vlees

De Bijbel gebruikt het woord ‘vlees’ niet uitsluitend in geestelijke zin. Voor de gewone consumptie mochten de Israëlieten in al hun woonplaatsen in het beloofde land dieren slachten en hun vlees eten zoveel zij lustten.

‘Gij moogt evenwel slachten en vlees eten zoveel gij wilt, overeenkomstig de zegen, die de HERE, uw God, u in al uw woonplaatsen geeft; de onreine zowel als de reine mag daarvan eten, als van een gazel en een hert’ (Deuteronomium 12:15).

‘Alleen het bloed zult gij niet eten, gij zult het op de aarde uitgieten als water’ (Deuteronomium 12:16).

Het slachtvee voor de offers, rund, geit en schaap, mochten ze ook voor de voeding gebruiken. Ook aan de Levitisch, of wettelijk, onreine is het gebruik van vlees niet verboden.

Dit letterlijke eten van vlees is iets anders dan de geestelijke betekenis van ‘begeerte van het vlees’. Paulus maakt duidelijk dat voedsel op zichzelf iemand niet dichter bij God brengt.

‘Voedsel nu brengt ons niet dichter bij God, want hetzij dat wij eten, wij zijn er bij God niet meer om; en hetzij dat wij niet eten, wij zijn er bij God niet minder om.’

Toch kan de manier waarop iemand met zijn vrijheid omgaat gevolgen hebben voor anderen. ‘Maar let erop dat deze vrijheid van u niet op een of andere manier een aanstoot wordt voor hen die zwak zijn.’

Daarom schrijft Paulus: ‘Als het voedsel mijn broeder doet struikelen, dan zal ik in eeuwigheid geen vlees meer eten, opdat ik mijn broeder geen oorzaak geef tot struikelen.’

Vlees in de opstanding

Paulus gebruikt het woord ‘vlees’ ook om het verschil tussen lichamelijke schepselen te beschrijven: ‘Alle vlees is niet hetzelfde vlees, want het vlees van mensen is verschillend, en het vlees van dieren is verschillend, en dat van vissen is verschillend, en dat van vogels is verschillend.’

Het gaat in dit gedeelte over de opstanding der doden. Het gaat om dezelfde mens, maar toch is er iets in het lichaam veranderd.

‘Het lichaam wordt gezaaid in vergankelijkheid, het wordt opgewekt in onvergankelijkheid. Het wordt gezaaid in oneer, het wordt opgewekt in heerlijkheid. Het wordt gezaaid in zwakheid, het wordt opgewekt in kracht.’

‘Een natuurlijk lichaam wordt gezaaid, een geestelijk lichaam wordt opgewekt. Er is een natuurlijk lichaam en er is een geestelijk lichaam.’

Het beeld van een zaadkorrel maakt duidelijk dat het lichaam dat wordt opgewekt werkelijk verbonden is met de mens die gestorven is, maar tegelijk verheerlijkt en veranderd wordt.

De betekenis in de belijdenisgeschriften

In de belijdenisgeschriften zien we twee betekenissen van ‘vlees’ terug: vlees als aanduiding voor het lichamelijk bestaan van de mens en vlees als de omschrijving voor het slechte in de mens tegenover dat wat door Gods Geest gewerkt is.

In vraag en antwoord 35 van de Heidelbergse Catechismus staat dat de eeuwige Zoon van God de echte menselijke natuur uit het vlees en bloed van de maagd Maria heeft aangenomen, door het werk van de Heilige Geest.

In vraag en antwoord 49 en 57 van de Heidelbergse Catechismus gaat het over de opstanding van het lichaam. Dat Christus met Zijn lichaam, ‘ons vlees’, naar de hemel is opgevaren, geeft Gods kinderen een krachtig bewijs, een garantie zelfs, dat Hij straks ook als het Hoofd Zijn lidmaten tot Zich zal nemen.

De ziel van de gelovige zal weer verenigd worden met zijn vlees, dat door de kracht van Christus opgewekt zal worden en aan Christus’ lichaam gelijkvormig zal worden.

De tweede betekenis van vlees komt vooral in de Dordtse Leerregels voor. Hoewel een christen gelooft dat zijn stenen hart uit zijn vlees is weggenomen en hem een vlesen hart is gegeven, is het toch zo dat we geen goed werk kunnen doen dat niet besmet is door ons vlees.

Een christen is te herkennen doordat hij ‘zijn vlees met zijn werken’ kruisigt. De zonde van christenen moet hen aansporen om het vlees hoe langer meer door de Geest en het gebed en heilige oefeningen van de godvruchtigheid te doden.

Dat zal nooit volkomen lukken, want God verlost Zijn kinderen in dit leven niet helemaal van het vlees en het lichaam van de zonde. De duivel, de wereld en ons eigen vlees zullen namelijk niet ophouden om ons te blijven aanvechten.

Vlees en Geest tegenover elkaar

De blijvende strijd en de hoop

De oude natuur blijft zich verzetten tegen God, maar de gelovige hoeft niet op eigen kracht te strijden. Wie van Christus’ genade leerde leven, strijdt immers niet meer op eigen kracht. Maar mag leren schuilen achter Zijn wapenrusting.

De Heere heeft de duivel overwonnen. Calvijn zegt daarover: ‘Maar het gaat met ons heel anders dan met degenen, die onder der mensen banier strijden. Want zij strijden op het onzekere, en de afloop van de oorlog is onzeker, maar wij, eer wij de vijand toetreden, zijn reeds overwinnaars, want Christus ons Hoofd heeft eenmaal voor ons de hele wereld overwonnen.’

Verder blikken betekent dat we dienen verder te blikken dan de dingen die op deze aarde onze verlangens aantrekken en vervuilen.

We dienen met Job een verbond met onze ogen te maken, voor het aangezicht van de Heere (Job 31:1). Waar onze verlangens dan mee te vullen? Met het mediteren over Christus’ en Zijn verzoenend lijden. Levend vanuit de verwachting van wat komt.

Begeertes des Vlees | Deel 1 | Bijbelse basis leggen

tags: #begeerten #vlees #wat #is #dat