De ecologische voetafdruk van vlees

De ecologische voetafdruk van vlees is groot, vooral door het gebruik van veevoer, landbouwgrond, water en energie en door de uitstoot van broeikasgassen, stikstof en andere vervuilende stoffen. De productie van vlees veroorzaakt over het algemeen veel meer milieuschade dan die van plantaardig eiwitrijk eten.

Voor de productie van 1 kilo vlees bijvoorbeeld is gemiddeld 5 kilo plantaardig materiaal voor veevoer nodig (Milieu Centraal, 2023c). Voor een kilo kippenvlees is ongeveer vier kilo voer nodig en voor een kilo rundvlees zelfs 25 kilo. De productie van vlees en zuivel belast het milieu over het algemeen meer dan plantaardige alternatieven.

Welke milieugevolgen heeft vleesproductie?

Vleesproductie zorgt voor uitstoot van broeikasgassen en voor verzuring van de bodem en de lucht. De productie van vlees en zuivel heeft grote effecten op natuur en milieu.

Er is meer energie, mest, water en landoppervlak voor nodig. Daarnaast zorgt de veehouderij voor meer uitstoot van broeikasgassen en stikstof. Deze komen bijvoorbeeld vrij uit mest.

De veehouderij die al dat vlees produceert, stoot broeikasgassen uit, verbruikt veel water, heeft wereldwijd veel ruimte nodig voor de verbouw van veevoer én kan mestproblemen veroorzaken.

MilieubelastingBelangrijkste oorzaak
BroeikasgassenVeehouderij, veevoer, mest en methaan van herkauwers
LandgebruikTeelt van veevoer en grasland voor dieren
WatergebruikVeevoer, drinkwater, transport, slacht en verwerking
Stikstof en verzuringMest en ammoniak uit de landbouw
OntbossingTeelt van veevoer, waaronder soja, en graasland

De klimaatimpact van vlees

Bij de teelt van landbouwgewassen en het houden van dieren komen CO2, methaan en lachgas vrij. Deze broeikasgassen dragen bij aan de opwarming van de aarde. Vlees en zuivel zijn de grootste boosdoeners.

De klimaatimpact van verschillende broeikasgassen wordt vaak uitgedrukt in CO₂-equivalenten (CO₂eq). Dit is een maat die uitstoot van bijvoorbeeld methaan en lachgas omrekent naar de hoeveelheid CO₂ met hetzelfde opwarmend effect over een periode van honderd jaar.

Data van het RIVM laten de klimaatimpact van de consumptie van verschillende voedselgroepen in Nederland zien. Zo veroorzaakt de consumptie van vlees gemiddeld 1,14 kg CO₂eq per persoon per dag, wat neerkomt op ongeveer 415 kg CO₂eq per jaar. Voor zuivel, inclusief kaasproducten, geldt een jaarlijkse bijdrage van 305 kg CO₂eq per persoon.

Hoewel zuivelproducten in veel grotere hoeveelheden geconsumeerd worden in Nederland dan vlees, gaat de consumptie van vleesproducten gemiddeld per kg gepaard met veel meer uitstoot. Om die reden is de klimaatimpact van vlees in Nederland groter dan die van zuivel.

De totale broeikasgasuitstoot per Nederlander was in 2023 gemiddeld ongeveer 9300 kg CO₂eq (Eurostat, 2026). Op basis daarvan dragen vlees en zuivelproducten gezamenlijk zo'n 8% bij aan de totale gemiddelde jaarlijkse uitstoot per persoon.

De categorieën vlees, zuivel en kaas hebben achtereenvolgens ook de grootste impact van alle productgroepen.

Klimaatimpact vlees en plantaardige eiwitten

Waarom rundvlees de grootste voetafdruk heeft

Wel zijn er grote verschillen in de klimaatimpact van verschillende soorten vlees, waarbij de uitstoot door rundvleesconsumptie koploper is.

Runderen, of preciezer geformuleerd: de productie van rundvlees, vragen ook de meeste ruimte en stoten de meeste broeikasgassen uit, met name omdat ze veel methaan produceren, gevolgd door varkens en kippen.

Bij de spijsvertering van koeien en andere herkauwers ontstaat methaan, een krachtig broeikasgas. Koeien, schapen en geiten produceren methaan bij het verteren van voedsel. Doordat deze dieren ademen, scheten en boeren komt er methaan in de lucht terecht.

Methaan is een sterk broeikasgas: 1 kilo methaan heeft al hetzelfde effect als 28 kilo CO2 en heeft hiermee een hogere impact op het milieu. Over een periode van honderd jaar is dit opwarmende effect zo'n dertig keer sterker dan dat van CO₂.

Afhankelijk van de gekozen periode is methaan tot wel zeventig keer zo effectief in het opwarmen van het klimaat als CO₂. Gemiddeld heeft methaan wel een veel kortere verblijftijd in de atmosfeer van tien jaar, terwijl CO₂ eeuwenlang in de atmosfeer aanwezig kan blijven.

Een afname in methaanuitstoot kan daarmee ook een relatief snel effect hebben op het beperken van de opwarming. Juist daardoor wordt in klimaatonderzoek vaak onderscheid gemaakt tussen maatregelen die vooral de opwarming op korte termijn beïnvloeden, zoals verminderde uitstoot van methaan, en maatregelen die nodig zijn voor een stabieler klimaat op lange termijn, waaronder beperking van CO2-uitstoot.

Een biefstuk heeft dan ook een grotere milieu-impact dan een kipfiletje. Twee flinke entrecotes leiden tot evenveel broeikasgassen als een autorit van Amsterdam naar Barneveld.

Veevoer vraagt veel grondstoffen en landbouwgrond

Voor de productie van vlees is veel veevoer nodig. De productie van veevoer kost veel grondstoffen, bestrijdingsmiddelen, kunstmest en landoppervlak.

Om veevoer te maken is er water, energie en land nodig. Het verbouwen en vervoeren van veevoer zorgt voor uitstoot van broeikasgassen.

Dieren hebben namelijk plantaardig voer en dus ook eiwitten nodig om verder te groeien of melk te produceren. Eet je vlees, dan eet je indirect ook alle plantaardige voeding, die het dier tijdens zijn of haar leven heeft geconsumeerd.

Gemiddeld gezien heeft een dier per kilogram vlees, vóór de slacht, 12,9 kilo voer nodig. Een kip eet per kilogram vlees gemiddeld minder dan een koe.

Voor de productie van een kilo biefstuk is gemiddeld 25 kilo voer nodig, en dat moet ergens groeien. Van het mondiale landbouwareaal is 75 procent in gebruik voor de productie van veevoer en als grasland.

Dit is veel, want vlees, zuivel en eieren leveren slechts 17 procent van alle calorieën die de wereld tot zich neemt. Helaas heeft de wereld niet heel veel geschikte landbouwgrond over, tenzij we nog meer regenwoud kappen.

Bovendien gaat de productie van veevoer ten koste van mogelijkheden om voedsel te produceren voor mensen. Als we granen of bonen zelf opeten kun je daar veel meer mensen mee voeden dan als we ze eerst aan dieren voeren ter productie van vlees.

Soja en ontbossing

In het voer van kippen zit wel relatief veel soja. De productie van soja voor veevoer veroorzaakt ook milieuproblemen, en soms ontbossing.

Daarnaast zit in sommige veevoer soja uit Zuid-Amerika. Voor deze soja worden grote stukken oerwoud omgezet in bouwland, waardoor veel broeikasgassen uit de bodem vrijkomen.

Ook de Nederlandse vleesconsumptie vraagt relatief veel grond, met name in Brazilië. In totaal is voor het produceren van alle Nederlandse consumptie circa 10 miljoen hectare grond nodig - drie keer het Nederlandse landoppervlak.

Bijna de helft van onze voetafdruk betreft zo landbouwgrond voor de productie van voedsel. De productie van vlees, zuivel en eieren vraagt bovenproportioneel veel ruimte: 2 miljoen hectare.

We eten met z’n allen steeds meer vlees en zuivel, vooral in het Westen. Tweederde van alle landbouwgrond ter wereld wordt gebruikt als weiland voor grazende dieren of de teelt van veevoer.

Hiervoor is al veel natuur gesneuveld. Zo zijn in Zuid-Amerika miljoenen hectaren regenwoud en andere natuur vernietigd voor de teelt van soja of om runderen te laten grazen.

Landgebruik per eiwitbron

Het landbeslag op zowel akkers als weidegronden varieert sterk per product. Voor rundvlees kan dit oplopen tot 2000 m2 per kg eiwit, terwijl voor kippenvlees dit slechts circa 30 m2 per kg eiwit bedraagt.

Het verschil in broeikasgasemissies tussen het meest klimaatvriendelijke eiwitproduct en het meest klimaatonvriendelijke product kan oplopen tot een factor honderd.

De verschillen waren voornamelijk terug te voeren op verschillen in productiesystemen in de rundveehouderij en visserij. De uitkomsten voor varkens- en pluimveeproducten vertonen veel minder variatie dan die voor rundvlees- en visproducten.

ProductLandbeslag
Rundvleeskan oplopen tot 2000 m2 per kg eiwit
Kippenvleescirca 30 m2 per kg eiwit

Watergebruik van vlees

Volgens het Voedingscentrum is 85 procent van al het water dat we in Nederland gebruiken, nodig voor de productie van voedsel. Gemiddeld is dat 3.450 liter water per dag.

Voor de productie van dierlijke producten, als vlees, is verreweg het meeste water nodig. Nu kan je denken… drinken koeien dan zoveel water? Een koe drinkt gemiddeld 100 tot 150 liter per dag, slechts een klein onderdeel van het totale waterverbruik.

Dieren hebben voer nodig en juist voor de productie van dit veevoer is water nodig. Ook tijdens het transport, het slachtproces en de verwerking van het vlees wordt extra water verbruikt.

Natuurlijk hebben gewassen water nodig om verder te kunnen groeien en te overleven. Maar ook tijdens het verwerkingsproces van voedingsmiddelen wordt veel water verbruikt.

Bijvoorbeeld om machines en materialen te reinigen of het voedsel te bereiden. Daarnaast is er water nodig om gebruikte meststoffen en bestrijdingsmiddelen te verdunnen, zodat er geen sprake is van te hoge schadelijke concentraties.

Plantaardige producten scoren relatief beter op het gebruik van water en vallen hierdoor onder de meer milieuvriendelijke keuze. Wil je je watervoetafdruk verkleinen? Kies dan iets vaker voor plantaardige producten op je bord in plaats van vlees.

Ga je voor noten als alternatieve eiwitbron voor dierlijke producten? Let dan op, want ook bij de productie van verschillende notensoorten, als walnoten en cashewnoten, wordt veel water verbruikt.

Veel notensoorten worden namelijk geproduceerd in landen waar droogte heerst, waardoor veel zoet irrigatiewater wordt gebruikt. Ook in Nederland hebben we steeds meer te maken met waterschaarste, waardoor het waterverbruik in de landbouw en akkerbouw toeneemt.

Wil je alleen water besparen, dan is het echt niet erg om af en toe een ei te eten of melk te drinken. Maar kijken we naar het grotere geheel, CO2-uitstoot en grondstofgebruik, dan zijn peulvruchten en andere plantaardige producten nog steeds een duurzamere optie.

Waterverbruik van vlees en peulvruchten

Vlees, stikstof en verzuring

Veeteelt zorgt ook voor stikstofuitstoot. Wanneer stikstof neerslaat in kwetsbare natuur, zorgt dat voor verstoring van het evenwicht in de natuur, het ecosysteem. Hierdoor neemt de biodiversiteit af.

Nederland heeft een stikstofprobleem, omdat landbouwgebieden vaak dichtbij natuurgebieden liggen. Stikstofgassen uit de landbouw komen daardoor in de natuur terecht.

In het stikstofdossier is landbouw vooral gekend als bron van ammoniak (NH₃), een stikstofverbinding die vrijkomt bij het vergisten van dierlijke mest. Ammoniak slaat neer in de omgeving en kan de biodiversiteit van planten verstoren.

In contact met andere stoffen draagt ammoniak ook bij aan de vorming van fijn stof, wat de luchtkwaliteit beïnvloedt. Naast ammoniak zijn er ook NOx’en, stikstofoxiden die vrijkomen bij verbranding in verkeer en industrie.

Samen vormen deze stoffen de totale stikstofbelasting. Deze uitstoot door landbouw wordt pas minder als de intensieve veehouderij kleiner wordt.

Meer plantaardige en minder dierlijke voeding eten draagt hieraan bij. De productie van vlees en zuivel trekt een zware wissel op het milieu en het klimaat. Dit wordt pijnlijk zichtbaar door de stikstofcrisis.

Mest, water en andere milieuproblemen

De uitstoot van broeikasgassen en het dreigende ruimtegebruik zijn niet de enige schadelijke gevolgen van onze vleeslust. Zo leidt de huidige manier van veeteelt ook tot mestoverschotten, overmatig gebruik van antibiotica en vragen al die dieren en het telen van hun voer veel water.

De productie van vlees, zuivel en eieren heeft naast de gevolgen voor klimaat en de gevolgen van stikstof voor onze natuur nog vele andere schadelijke gevolgen, bijvoorbeeld het gebruik van insecticiden, onkruidverdelgers en kunstmest die in het milieu terechtkomen.

Ook onze gezondheid heeft te lijden onder de vee-industrie door het gevaar op besmettelijke dierziektes zoals Q-koorts en longziektes door fijnstof.

Onderzoeksbureau Ecorys berekende dat de maatschappelijke kosten van de schade van de vee-industrie voor onze natuur, klimaat en gezondheid in 2018 optelde tot 6,6 miljard euro. Daar zijn nog niet eens de gevolgen van ontbossing of dierenwelzijnsproblemen in meegenomen.

Vlees vergeleken met andere eiwitbronnen

De productie van plantaardige eiwitrijke voedingsmiddelen daarentegen veroorzaakt veel minder milieuschade dan die van vlees, zuivel en vis.

Van alle eiwitrijke producten zorgen plantaardige soorten voor de minste milieubelasting. Denk daarbij aan granen- en groenteburgers, noten, tempé, tahoe en peulvruchten.

Ook producten op basis van mycoproteïne, zoals Quorn, scoren goed. Minder rood en bewerkt vlees en vaker vegetarisch eten past bij een gezond en duurzaam eetpatroon.

De klimaatimpact van verschillende eiwitrijke producten verschilt flink. Hoe meer broeikasgas vrijkomt bij productie, distributie, bewaren en bereiden, des te slechter het is voor het klimaat.

Bij de productie van een kilo peulvruchten komt 1 kilo CO2 vrij, terwijl een kilo lamsvlees al goed is voor een CO2-uitstoot van 51 kilo. Dat is dus 51 keer zoveel!

EiwitbronCO2-uitstoot
Peulvruchten1 kilo CO2 per kilo product
Plantaardige vleesvervangersongeveer 3 kg CO₂eq per kg product
Lamsvlees51 kilo CO2 per kilo product

Eieren en kip zijn minder milieubelastend dan andere dierlijke producten, omdat kippen voor minder broeikasgassen zorgen dan bijvoorbeeld koeien die ook nog eens methaan produceren.

Kippenvlees heeft een lagere milieu-impact dan varkens-, rund- en lamsvlees. Dat komt o.a. doordat kippen voor minder broeikasgassen zorgen dan varkens, schapen en koeien.

Kippen produceren geen methaan zoals schapen en koeien, omdat het geen herkauwers zijn. Ook hebben kippen per kilo vlees minder voer nodig dan andere dieren, waardoor er minder land, water en energie nodig is voor het voer dat de kippen krijgen.

Eieren zijn een milieuvriendelijke keuze. Hun klimaat- en milieu-impact is ongeveer gelijk aan die van vleesvervangers en peulvruchten.

Kaas heeft een milieubelasting: de klimaatimpact, het watergebruik en het effect op vermesting is vergelijkbaar met de impact van varkensvlees.

De meeste soorten milieubelasting zijn hoger voor kaas dan voor kipfilet. Om 1 kilo kaas te maken is namelijk tot wel 10 liter melk nodig.

De klimaatimpact van vleesvervangers gemaakt van zuivel kun je ook vergelijken met kip en varkensvlees. Dat geldt ook voor vleesvervangers die gemaakt zijn van zuivel.

Ook het eten van vis is milieubelastend, mede door de uitstoot van broeikasgassen, maar meer nog door de overbevissing bij wilde vis en door het antibioticagebruik bij kweekvis.

Om gezondheidsredenen adviseert het Voedingscentrum om éénmaal per week vis te eten. Eet je vaker vis? Dan loop je het risico dat je bijdraagt aan overbevissing en andere milieuproblemen.

Insecten als eiwitbron

Insecten zijn een bron van eiwitten met een lage milieubelasting. Ze kunnen groeien op afval uit de voedingsindustrie zoals aardappelschillen en pulp.

Deze voeding zetten zij efficiënt om in eiwitten die mensen kunnen eten. Wel is er relatief veel energie nodig om de productiefaciliteit te verwarmen en ventileren.

Voor de Europese markt zijn enkele insecten goedgekeurd als voeding. In Nederlandse winkels worden sprinkhanen, meelwormen en kevers aangeboden, vaak verwerkt in bijvoorbeeld insectenburgers.

Insectenmeel kan ook als diervoeder worden ingezet. Er is op dit moment nog weinig bekend over dierenwelzijn en insecten.

Hoe groot is de voetafdruk van Nederlandse vleesconsumptie?

In Nederland kopen we jaarlijks zo'n 33 kilo vlees per persoon, rund, varken en kip samen. Dat is wel 4 tot 6 keer zoveel als past binnen de draagkracht van de aarde.

Daarnaast importeren en exporteren we ook veel vlees. Per jaar wordt er voor elke Nederlander circa 76 kilo vlees geproduceerd, rund, varken en kip samen, ruim twee keer zoveel als vijftig jaar geleden.

Ruim driekwart van in Nederland geproduceerd vlees is voor de export. Als je de Nederlandse veestapel verdeelt over de inwoners, dan zou elke inwoner bijna 5 kippen en een eigen varken hebben; per 4 personen zouden we een koe bezitten.

De afgelopen tien jaar was de daling circa 5 procent en nog maar een kwart eet iedere dag vlees bij de hoofdmaaltijd.

Wat levert minder vlees eten op?

Ben je een grote vleeseter, dat is iemand die meer dan 100 gram vlees per dag eet, en pas je je dieet aan naar af en toe vlees eten? Dan verlaag je je klimaatimpact van je eiwitbron met ruim de helft.

Ook zorg je op deze manier voor minder milieuproblemen zoals vervuiling van lucht, water en bodem en problemen rondom landgebruik.

Milieu Centraal meldt dat je met twee dagen minder vlees eten per week in een jaar al 130 kilo CO2 kan besparen. Eet je vaker per week geen vlees en/of andere dierlijke producten dan bespaar je natuurlijk meer.

In het gemiddelde Nederlandse dieet komt ruim de helft van de CO2-uitstoot voor rekening van dierlijke producten: 32 procent voor vlees en vis en 19 procent voor zuivel en eieren.

Minder vlees en zuivel en meer plantaardige producten eten kan dus heel wat uitmaken. Een gemiddelde Nederlandse maaltijd bestaat voor 70 procent uit groenten en aardappel, pasta of rijst en voor 30 procent uit vlees.

Verschuif je deze verhouding van 80 procent plantaardig en 20 procent vlees of vis, dan bespaar je 9 procent van jouw totale CO2-uitstoot voor voeding.

Doe je dit een jaar, dan staat je besparing gelijk aan zeven jaar koken op een elektrische kookplaat of vijf jaar lang je koelkast aan laten staan.

Een verschuiving van 30 naar 20 procent vlees op je bord zul je nauwelijks proeven. Je kunt het ook eenvoudiger houden en bijvoorbeeld twee dagen per week vegetarisch eten.

Je vermindert dan je voedinggerelateerde CO2-uitstoot met ruim 6 procent. Eet je elke dag vegetarisch, dan is de besparing 20 procent.

Als we binnen de grenzen van de planeet willen blijven met ons eetpatroon, dan past 1 portie vlees per week.

De Nederlandse consumptie verandert langzaam

In het Klimaatakkoord zijn met betrekking tot de consumptie van dierlijke producten twee doelen voor 2050 gesteld. Ten eerste minder consumptie van dierlijke eiwitten en meer consumptie van plantaardige eiwitten, zodat een gezonde verhouding wordt bereikt conform de adviezen van het Voedingscentrum.

Ten tweede zou ons dieet in totaal 10 tot 15 procent minder eiwitten moeten bevatten (Rijksoverheid, 2019). De nagestreefde lagere consumptie van dierlijke eiwitten betekent dus dat er minder vlees en zuivel gegeten zou moeten worden.

Maar verandering of verbetering van voedingsgewoonten gaan langzaam (CBS StatLine, 2023j). In 2023 geeft 5 procent van de Nederlanders van 18 jaar of ouder aan nooit vlees te eten.

Een volledig plantaardig dieet komt met 0,5 procent nog zeer weinig voor. Deze cijfers zijn niet significant gestegen ten opzichte van 2020.

Vlees- en visconsumptie20232020
Iedere dag vlees19,120,2
5 of 6 dagen per week vlees29,330,5
Maximaal 4 dagen per week vlees46,744,8
Nooit vlees, wel vis2,22,6
Nooit vlees en nooit vis2,11,7
Volledig plantaardig0,50,4

Bij de vleeseters is het aantal dagen dat men vlees eet sinds 2020 nauwelijks veranderd. In 2023 eet 47 procent van de volwassenen op zijn hoogst 4 dagen in de week vlees, bij de warme maaltijd, als broodbeleg of als snack.

29 procent eet 5 of 6 dagen per week vlees en 19 procent iedere dag. In 2023 zegt 35 procent van de volwassenen in de afgelopen 12 maanden minder vlees te zijn gaan eten.

De meesten, 57 procent, geven echter aan dat hun vleesconsumptie in het afgelopen jaar niet is veranderd. Ook deze cijfers zijn vrijwel gelijk aan die van 2020.

Wie eet minder vlees?

25- tot 35-jarigen eten relatief vaak geen vlees, in de groep 18- tot 25-jarigen daarentegen bevinden zich juist relatief vaak frequente vleeseters.

Op hogere leeftijd, ongeveer vanaf 55 jaar, eet men relatief vaak minder frequent vlees maar wordt het vlees eten niet helemaal opgegeven. Dit was ook het beeld in 2020.

Bij 65-plussers en vooral 75-plussers lijkt echter wel een verschuiving te zien naar minder vlees eten. Zo eet 14 procent van de 75-plussers momenteel iedere dag vlees, terwijl dat in 2020 nog 21 procent was.

Stedelingen mijden of minderen vlees vaker dan plattelandsbewoners. Hoogopgeleiden doen dit vaker dan laagopgeleiden en vrouwen vaker dan mannen.

Friezen eten het vaakst vlees, Noord-Hollanders het minst vaak. In Friesland wordt het vaakst vlees gegeten: 65 procent van de Friezen eet iedere dag of 5 of 6 dagen per week vlees.

In Noord-Holland wordt het minst vaak vlees gegeten: 37 procent van de Noord-Hollanders eet iedere dag of 5 of 6 dagen per week vlees. Ook in Utrecht en Flevoland wordt minder vaak vlees gegeten.

Van de G4-steden wordt in Amsterdam en Utrecht het minst vaak vlees gegeten. Een op de tien inwoners eet helemaal geen vlees en ruim zes op de tien beperken dit tot maximaal 4 dagen per week.

Waarom eten mensen minder vlees?

Ruim de helft van de volwassen bevolking eet helemaal geen vlees of maximaal 4 dagen per week. 20 procent van alle volwassenen doet dit onder meer om het klimaat minder te belasten.

Voor 10 procent is het klimaat of milieu de enige of belangrijkste drijfveer: 9 procent eet hiervoor maximaal 4 dagen per week vlees, 1 procent laat hiervoor het vlees helemaal staan.

In 2023 is zorg voor klimaat de meest genoemde reden om geen vlees of beperkt vlees te eten. In 2020 was dat nog gezondheid.

Als belangrijkste of enige reden om geen of beperkt vlees te eten werden drie jaar geleden gezondheid en ‘geen behoefte’ het vaakst genoemd, maar nu is dat even vaak klimaat en dierenwelzijn.

RedenBelangrijkste reden 2023Een reden, maar niet de belangrijkste 2023
Klimaat / milieu9,99,9
Dierenwelzijn9,48,6
Gezondheid10,37,9
Geen behoefte / niet zo lekker9,44,4
Te duur5,34,1

Opvallend is de opmars van de prijs van vlees: in 2020 gaf 3 procent dit aan als een van de redenen om minder vlees te eten, in 2023 is dit 9 procent.

Het percentage dat de vleesprijs als enige of belangrijkste reden noemt is gestegen van 1 naar 5 procent. Vooral hoogopgeleiden eten minder vlees vanwege het klimaat.

Voor 24 procent van de universitair geschoolden is dit de belangrijkste reden om geen of maximaal 4 dagen vlees te eten. Daarentegen is het klimaat voor 4 procent van degenen met basisschool als hoogst behaalde opleiding de doorslaggevende reden om geen of minder vlees te eten.

Dierenwelzijn en de keuze voor vlees

Naast milieuproblemen speelt ook dierenwelzijn een rol bij de productie van vlees. Een plantaardig alternatief kiezen voor vlees is daarom een goede keuze.

Wil je rekening houden met dierenwelzijn als je toch vlees eet? Er is vlees te koop met Topkeurmerken: Europese keurmerk voor biologisch, het groene blaadje, EKO, Demeter of het Beter Leven Keurmerk 2 of 3 sterren.

Deze keurmerken garanderen een betere omgang met dieren dan wettelijk is voorgeschreven. Punten waarop de dieren het beter hebben zijn bijvoorbeeld: een iets groter leefoppervlak dan dieren in de intensieve veehouderij, strooisel en daglicht in de stal en minder pijnlijke ingrepen.

In de biologische landbouw worden dieren gehouden met meer aandacht voor milieu én voor dierenwelzijn. Biologisch gehouden dieren gaan bijvoorbeeld het hele jaar door naar buiten en hebben ook binnen meer ruimte.

Kan vleesproductie duurzamer worden?

Vleesproductie heeft een impact op het milieu, net zoals elke andere vorm van voedselproductie. De productie van vlees en zuivel trekt een zware wissel op het milieu en het klimaat.

De landbouwsector werkt hard aan vermindering: tussen 2015 en 2022 daalde de ammoniakuitstoot al met 9 procent. Tegen 2030 is een reductie van 40% vooropgesteld.

Die daling werd onder meer behaald door een lichte afname van de veestapel, verhoogde voederefficiëntie, het toepassen van emissiearme staltechnieken en beter mestbeheer.

Verhoogde voederefficiëntie betekent dat dieren minder voeding nodig hebben om dezelfde hoeveelheid vlees te produceren, wat tot minder grondstoffenverbruik en een lagere milieudruk leidt.

Door technologische innovatie en milieubewuste bedrijfsvoering wil de sector haar impact verder verkleinen.

88% van de ingevoerde soja is gecertificeerde soja (2022). Tegen 2030 moet dat 100% zijn.

Dat wil zeggen dat die soja moet voldoen aan strenge eisen, zoals voorwaarden rond water- en gewasbeschermingsgebruik. Soja die afkomstig is van percelen die ontbost werden na juni 2006, komen sowieso niet in aanmerking voor certificering.

Veel veehouders nemen zelf extra initiatieven om bij te dragen aan biodiversiteit en milieubescherming: bloemenranden inzaaien voor bijen, vlinders en natuurlijke plaagbestrijders, insectenhotels en vogelnestkasten plaatsen en houtkanten, poelen en struiken als schuil- en rustplaats voor dieren.

Ook wildverdrijvende maaimethoden met signalen of aangepaste machines, peilgestuurde drainage en regenwateropvangsystemen om water in de bodem vast te houden en infiltratie te stimuleren, beperkte bodembewerking en rotatiegewassen en het toevoegen van stalmest of compost om het organische stofgehalte te verhogen en het bodemleven te stimuleren worden toegepast.

Kringlooplandbouw en vlees

Bij kringlooplandbouw worden grondstoffen optimaal gebruikt. Het streven bij kringlooplandbouw is dat vee alleen restproducten eet uit de akkerbouw, tuinbouw en voedingsmiddelenindustrie.

Of gras van niet voor akkerbouw geschikte graslanden. De mest van de dieren dient als grondstof om nieuwe producten mee te verbouwen.

Kringlooplandbouw gaat uit van het volgende principe: het aantal dieren dat een boer houdt, wordt bepaald aan de hand van de hoeveelheid reststromen die beschikbaar zijn als voer voor de dieren.

Binnen de gangbare landbouw is dat nu niet het geval: de vraag naar vlees is zo groot dat het vee niet genoeg voer heeft aan restproducten of grasland uit de omgeving.

Voer komt daarom van over de hele wereld. Het gevolg is dat hier een mestoverschot ontstaat terwijl ergens anders een tekort aan meststoffen is.

Minder vlees eten zonder eiwittekort

Eiwitten zijn een niet te missen onderdeel van je voedingspatroon. Ze bevatten belangrijke aminozuren.

Deze bouwstenen voor je lichaam maak je zelf niet aan, maar heb je wel nodig om gezond te blijven. Het eten van eiwitrijke producten is daarom noodzakelijk.

In het gemiddelde Nederlandse eetpatroon zitten meer dierlijke eiwitten dan gezond is. Voor de meeste mensen is vaker vegetarisch eten gezonder.

Vlees en vis bevatten naast eiwit ook mineralen, ijzer, zink, fosfor, selenium, magnesium, en vitamines B en D. Met uitzondering van vitamine B12 zitten deze stoffen ook in plantaardige producten.

IJzer zit bijvoorbeeld in volkorenbrood, peulvruchten, noten, gedroogde vruchten en appelstroop. Vitamine B12 krijg je bij een vegetarisch dieet binnen via zuivel en eieren.

Vleesvervangers zijn een gezonde keuze als deze voldoende eiwit, ijzer en vitamines B1 en B12 bevatten. Let goed op de voedingswaarde.

Een gevarieerd vegetarisch eetpatroon, met voldoende groente, fruit, brood, aardappelen, graanproducten, peulvruchten, noten, zuivel, eieren en volwaardige kant-en-klare vleesvervangers, levert voor de meeste mensen alle voedingsstoffen die het lichaam nodig heeft.

Eet je veganistisch en dus helemaal geen dierlijke producten? Dan is het belangrijk om vitamine B12 in te nemen in de vorm van supplementen.

Sommige merken sojadrank en vleesvervangers bevatten toegevoegde vitamine B12 en/of ijzer. Lees de voedingswaarde wanneer je producten kiest.

Hoe vergelijkbaar zijn cijfers over de ecologische voetafdruk?

Cijfers zijn belangrijk, maar hebben ook hun beperkingen, zeker als het om de milieulast van voedsel gaat. Verschillende onderzoeken, hoe degelijk uitgevoerd ook, komen tot andere cijfers.

Regionale verschillen spelen een rol: de resultaten van een onderzoek uitgevoerd in het ene land zijn niet altijd toepasbaar op een ander land.

Een bekend twistpunt is ‘Land Use Change’ (LUC). Als regenwoud gekapt wordt om veevoer te telen, heeft dat effect op de totale hoeveelheid uitgestoten en opgenomen CO2.

Sommige onderzoeken nemen deze effecten mee, andere niet. Daarnaast bestaat er onenigheid over hoe groot die effecten zijn.

Maak je een lijstje van alles wat je eet, bottom-up, en vermenigvuldig je dit met de CO2-uitstoot per product die berekend is in life cycle analysis, LCA’s, dan kun je tot de helft lager uitkomen dan wanneer je uitrekent wat jouw aandeel in het totale voedselsysteem is, top-down.

Er is discussie over wat de beste manier van berekenen is. Koeien leveren vlees maar ook zuivel en leer; schapen geven melk, vlees en wol en kippen produceren naast eieren ook vlees.

Aan welk van deze producten schrijf je de uitstoot van broeikasgassen toe? Niet elk onderzoek doet dat op dezelfde manier.

Onderzoeksresultaten kunnen dus van elkaar verschillen. De productie van vlees veroorzaakt over het algemeen echter veel meer milieuschade dan die van plantaardig eiwitrijk eten.

Is echt vlees eten zonder dierenleed binnen handbereik? | VPRO Tegenlicht

Praktische keuzes met minder milieu-impact

Wil je milieubewuster eten? Dan kan je kiezen voor plantaardige eiwitbronnen in plaats van dierlijke eiwitbronnen.

Van alle eiwitrijke producten zorgen plantaardige soorten voor de minste milieubelasting. Denk daarbij aan granen- en groenteburgers, noten, tempé, tahoe en peulvruchten.

Kun je niet zonder vlees? Dan is er altijd nog de keuze om te kiezen voor wit vlees, bijvoorbeeld kip, in plaats van rood vlees, rundvlees.

Wil je rekening houden met milieu én dierenwelzijn? Let dan op Topkeurmerken. Eieren en kippenvlees met een Topkeurmerk zijn bijvoorbeeld EU biologisch, EKO en Demeter of Beter Leven drie sterren.

Een plantaardig alternatief kiezen voor vlees is daarom een goede keuze. Minder vlees, zuivel en eieren eten draagt bij aan bescherming van natuur, bossen en klimaat.

tags: #eco #footprint #vlees