“De geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak” betekent dat iemand oprecht het goede wil doen, maar door lichamelijke zwakheid, verlangens, gevoelens en angsten toch gemakkelijk in verleiding komt of tekortschiet.
De uitdrukking komt uit Matteüs 26:41, waar Jezus in Gethsémané tegen Zijn discipelen zegt: “Waakt en bidt, dat gij niet in verzoeking komt; de geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak.” Het is oorspronkelijk geen verontschuldiging achteraf, maar een waarschuwing vooraf: wees je bewust van je kwetsbaarheid en bid om niet in beproeving te komen.
De letterlijke betekenis van de uitdrukking
Met “de geest” wordt in deze uitdrukking de innerlijke gezindheid bedoeld: het verlangen om God te gehoorzamen, het goede te doen en trouw te blijven. Met “het vlees” wordt de zwakke, lichamelijke kant van het menselijk bestaan bedoeld, met verlangens, gevoelens en angsten die een gemakkelijke prooi voor de zonde zijn.
Met andere woorden, wees je bewust dat er twee krachten in je werken - de geest die gewillig is, en het vlees, het lichaam (NBV) dat zwak is, onmachtig om te doen wat de geest eigenlijk wil.
De uitdrukking wordt tegenwoordig vaak gebruikt wanneer iemand goede bedoelingen heeft, maar er niet in slaagt die in praktijk te brengen. Het is vaak moeilijk om lichamelijke verleidingen of slechte neigingen te weerstaan.
Herkomst: Jezus in Gethsémané
Deze woorden zijn ontleend aan Matth. XXVI, 41: “Waeckt ende bidt, op dat ghy niet in versoeckinge en comt: de geest is wel gewillich, maer het vleesch is swack.” De spelling “vleesch”, “gewillich” en “swack” behoort tot de oudere Nederlandse tekstvorm.
Weinig Nederlanders zullen nog weten dat het ontleend is aan een Woord van Jezus tot zijn discipelen in Gethsemane. Niet als verontschuldiging achteraf, maar als waarschuwing vooraf. “Bid dat jullie niet in beproeving komen; de geest is wel gewillig, maar het vlees, het lichaam (NBV) is zwak.”
Jezus sprak deze woorden kort voor Zijn gevangenneming en kruisiging. De discipelen waren met Hem naar de hof van Gethsémané gegaan, maar konden niet wakker blijven om met Hem te waken en te bidden.
De context van Matteüs 26:41
Het is al weer 30 jaar geleden dat de Heere Jezus in Bethlehems stal geboren is als we Hem zien wandelen langs het meer van Galilea. Zojuist is Hij veertig dagen en veertig nachten in de woestijn geweest waar Hij verzocht werd van de duivel.
Jezus, Gods Zoon, was gedoopt door Johannes waarbij de hemel geopend werd en een stem uit de hemelen klonk: ‘Deze is Mijn Zoon, Mijn geliefde, in denwelken ik mijn welbehagen heb.’(Matth. 3:17) Hij moest direct daarna in de eenzaamheid van de woestijn verzocht worden.
‘Indien Gij Gods Zoon zijt.’ (Matth. 4:2) Zo klonk de satanische stem. God had gesproken, ‘Deze is Mijn Zoon’ en satan probeert alles in twijfel te trekken.
Wat een les voor ons. Als wij de voetstappen van de Heere Jezus mogen drukken, dan kunnen we er zeker van zijn, dat satan ons zal verzoeken. Hij zal alles in het werk stellen om ons aan het twijfelen te maken.
Hij weet dat als wij vol twijfel zijn, wij niet vol vreugde kunnen zijn en dus niet kunnen roemen in God. Hij weet dat als wij ongelovig zijn, er van ons niets uit gaat.(Matth. 5:13)
En daarom heeft hij juist met hen die Jezus willen volgen zijn handen vol. In het paradijs kwam hij tot Eva en sprak ‘Is het ook zo, dat God gezegd heeft’ (Gen. 3:1). Hoor hoe hij de waarheid Gods in twijfel trekt.
En zo kwam hij ook tot Jezus. Satan de mensenmoorder de leugenaar van de beginne is niet veranderd. Hij is nu veel listiger geworden, hij heeft nu ruim 6000 jaar ervaring in het aanvallen van mensen, hij weet precies waar de zwakke plekken zitten.
In alles om ons heen ervaren we zijn aanwezigheid, ongewild kom je in aanraking met satanische beelden en geluiden. We worden iedere dag verzocht.

Waarom de geest gewillig kan zijn
De discipelen wilden Jezus niet verlaten. Petrus had eerder verklaard dat hij bereid was met Hem te sterven. Toch bleek de menselijke vastberadenheid niet voldoende toen de angst, vermoeidheid en spanning toenamen.
We moeten streven om het goede te doen al is ons vlees zwak. Jezus stelde de gewillige geest van Petrus op prijs, al wist Hij dat hij Hem zou verloochenen: “Simon, Simon, zie, de satan heeft verlangd ulieden te ziften als de tarwe, maar ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet zou bezwijken” (Lucas 22:31, 32).
De geest is belangrijker dan het vlees. Jezus zei: “De Geest is het, die levend maakt, het vlees doet geen nut” (Johannes 6:63).
De verlangens van ons vlees hebben uitsluitend met dingen te maken die zullen voorbijgaan. God heeft een heilsmiddel geschonken, voor wie God liefheeft en Zijn wil doet.
De betekenis van “het vlees”
Ons vlees is niet vanzelf slecht. “Het Woord is vlees geworden en het heeft onder ons gewoond” (Johannes 1:14). Na Zijn opstanding zei Jezus: “Betast Mij en ziet, dat een geest geen vlees en beenderen heeft, zoals gij ziet, dat Ik heb” (Lucas 24:39).
God heeft Zich in het vlees geopenbaard (1 Timoteüs 3:16). In deze betekenis verwijst “vlees” dus niet eenvoudigweg naar het menselijk lichaam als iets slechts.
Het probleem is dat ons vlees sterke verlangens heeft. Menselijke verlangens verleiden ons tot zonde.
De mens werd met sterke verlangens geschapen, verlangens die voor het leven noodzakelijk zijn. Wij hebben lichamelijke behoeften aan eten, water en onderdak.
Wij hebben sociale behoeften aan vriendschap, goedkeuring en seksuele voltooiing. Deze door God gegeven behoeften worden door verlangens ondersteund.
God heeft de mens ook de verantwoordelijkheid gegeven zijn verlangens te beheersen, die waar nodig in toom te houden, en op een rechtvaardige en morele wijze te bevredigen.
Verantwoordelijkheid brengt keuzevrijheid met zich mee, wat betekent dat juiste of verkeerde keuzen kunnen gemaakt worden door iedereen die verantwoordelijkheid wordt gegeven.
Verlangen, keuze en verantwoordelijkheid
In Eden had Eva geen gebrek aan voedsel, maar zij heeft gekozen de verboden vrucht te eten toen zij “zag, dat de boom goed was om van te eten, en dat hij een lust was voor de ogen, ja, dat de boom begeerlijk was om daardoor verstandig te worden” (Genesis 3:6).
Wat dat derde punt betreft, heeft zij gekozen een slang te geloven i.p.v. God. Adam heeft gekozen naar Eva te luisteren i.p.v. God.
Eva probeerde de slang de schuld te geven. Adam probeerde God de schuld te geven omdat Hij Eva aan hem had geschonken.
Maar in werkelijkheid waren Eva en Adam verantwoordelijk voor hun eigen zondige keuzen en de gevolgen.
Hun eerste kind, Kaïn, heeft ook zondige keuzen gemaakt. “Hij was uit de boze en vermoordde zijn broeder. En waarom vermoordde hij hem? Omdat zijn werken boos waren en die van zijn broeder rechtvaardig” (1 Johannes 3:12).
Abel was de eerste profeet en de eerste martelaar (Lucas 11:50, 51). “Door het geloof heeft Abel Gode een beter offer gebracht dan Kaïn; hierdoor werd van hem getuigd, dat hij rechtvaardig was” (Hebreeën 11:4).
Toen God het offer van Kaïn niet aanvaardde omdat zijn daden slecht waren, en het offer van Abel wel aanvaardde omdat hij rechtvaardig was, “werd Kaïn zeer toornig” (Genesis 4:5).
God vroeg Kaïn, “Waarom zijt gij toornig en waarom is uw gelaat betrokken? Moogt gij het niet opheffen, indien gij goed handelt? Doch indien gij niet goed handelt, ligt de zonde als een belager aan de deur, wiens begeerte naar u uitgaat, doch over wie gij moet heersen” (Genesis 4:6, 7).
God beloofde Kaïn te aanvaarden indien hij deed wat juist was, en waarschuwde hem om over zijn zondige verlangens te heersen. In de plaats daarvan vermoordde Kaïn zijn broer.
Hoe verleiding ontstaat
“Laat niemand, als hij verzocht wordt, zeggen: Ik word van Godswege verzocht. Want God kan door het kwade niet verzocht worden en Hijzelf brengt ook niemand in verzoeking. Maar zo vaak iemand verzocht wordt, komt dit voort uit de zuiging en verlokking zijner eigen begeerte. Daarna, als die begeerte bevrucht is, baart zij zonde; en als de zonde volgroeid is, brengt zij de dood voort” (Jacobus 1:13 t/m 15).
De Bijbel maakt hiermee duidelijk dat verleiding niet hetzelfde is als zonde. De begeerte kan iemand lokken, maar de mens blijft verantwoordelijk voor de keuze die daarop volgt.
De zwakheid van het vlees betekent daarom niet dat iemand geen verantwoordelijkheid heeft. De uitdrukking verklaart waarom gehoorzaamheid moeilijk kan zijn, maar maakt verkeerde keuzes niet automatisch goed.
Petrus als voorbeeld van gewilligheid en zwakheid
Als we zo de geschiedenis van Jezus omwandelingen bekijken dan is er met name één discipel die ons opvalt, het is Petrus. Of we nu willen of niet soms moeten we glimlachen als we hem zien in het heetst van de strijd, wat een vuur, een enthousiasme en een impulsiviteit.
Maar tegelijk zien we hoe lief hij Jezus heeft. Hoe kan dit toch? Omdat Jezus hem eerst heeft liefgehad.
Hij trok Petrus achter zijn netten vandaan en liet hem Zijn Goddelijke liefde ervaren. Op een gegeven moment hebben zij de hele nacht gevist en niets gevangen, Jezus zegt tot Petrus: ‘steek af naar de diepte, en werp uwe netten uit om te vangen.’
Petrus zegt: ‘Meester, wij hebben de hele nacht gearbeid en niets gevangen; maar op Uw woord zal ik het net uitwerpen.’ En dan gebeurt het wonder, het net zit zo vol dat het scheurt, er moet een schip bij komen om te helpen en dan zitten de beide schepen zo vol met vis dat zij bijna zinken.
Als Petrus dat ziet, valt hij aan de knieën van Jezus en zegt: ‘Heere, ga uit van mij, want ik ben een zondig mens.’(Matth. 5:8) Petrus werd vervuld met heilige eerbied als hij ziet wie God is.
Wat een majesteit en macht, wat een heerlijkheid wordt er geopenbaard in de Zoon van God. Petrus voelt zijn eigen nietigheid, zijn zonde en zijn zwakheid.
Hoe is het mogelijk dat Jezus met Petrus om kan gaan? Petrus begrijpt het niet. Maar, Petrus wat zeg je nu toch, moet Jezus weg gaan? Je hebt Hem zo nodig, je zult nog leren dat je zonder Hem niets doen kan. (Joh. 15:5)
Toch is het zo in het leven van hen die Jezus hebben lief gekregen, zij kunnen niet zonder Hem, en tegelijk begrijpen ze niet dat zo’n Heilig God met hen gemeenschap wil hebben.
De liefde versmelt het hart en maakt dat we kleine gedachten van onszelf krijgen. Tegelijk maakt die onuitsprekelijke liefde een verlangen in ons hart naar nog meer liefde.
We willen niet meer zonder Hem leven. We verlangen ieder ogenblik naar meer gemeenschap.
Petrus op het water
Als we Jezus in het oog hebben dan hebben we niet in de gaten dat we leven, dan beseffen we niet of we fietsen, lopen of in de auto rijden, ons hart is in de hemel en Hij draagt ons.
We denken aan het schip wat in nood was, de discipelen pijnigden zich in de nacht om het schip vooruit te krijgen. (Mark 6:45) En dan, zo tegen de morgen, zien we Jezus wandelen op het water.
De discipelen denken dat het een spook is, ze worden ontroerd en schreeuwen van bangheid. Maar dan spreekt Jezus : ‘Zijt goedsmoeds, Ik ben het, vreest niet.’
Als Petrus dat hoort zegt hij, ‘Heere als Gij het bent, zo gebied mij tot U te komen op het water.’ (Matth. 14:28) Wat een geloof heeft Petrus hier, hij gelooft dat Jezus hem de kracht zal kunnen geven om op het water te lopen.
En dan horen we Jezus zeggen: ‘Kom’ en Petrus klimt van het schip en wandelt op het water om tot Jezus te komen. Hier wordt hij gedragen op arendsvleugelen.
In Zijn kracht kunnen we bergen verzetten. We hebben niet in de gaten dat we op het water lopen, want Hij draagt ons.
Maar, als we maar even onze Jezus uit het oog verliezen en zien op de omstandigheden dan kan bange vrees ons hart vervullen. Petrus verliest zijn Meester uit het oog, doordat hij ziet op de wind en dan kan het niet langer goed gaan.
Hij wordt bevreesd en zinkt in het water, terwijl hij roept: ‘Heere behoud mij!’ En Jezus strekt Zijn hand uit, grijpt hem en zegt: ‘Gij kleingelovige, waarom hebt gij gewankeld?’
Wat een les voor ons. Als we Jezus in het oog hebben, dan is ons hart bevrijd van alle vrees, dan kunnen wij staande blijven omdat we wandelen in Zijn licht met het schild van het geloof(Ef. 6:16).
Maar één blik op de omstandigheden en ons schild zakt weg, dan zijn we niet bestand tegen de pijlen die op ons afvliegen. In het geloof kunnen we bergen verzetten, maar in ons ongeloof struikelen we over een zandkorrel.
En toch, wordt niet moedeloos als het ongeloof ons aanvecht, waak op, grijp uw schild van het geloof en zie op Jezus uw Zaligmaker.
De strijd tussen geest en vlees
De wet kon niet redden “omdat zij zwak was door het vlees” (Romeinen 8:3). “Want toen wij in het vlees waren, werkten de zondige hartstochten, die door de wet geprikkeld worden, in onze leden, om voor de dood vrucht te dragen” (Romeinen 7:5).
Zelfs wie wenst het goede te doen, haalt het lang niet: “Want allen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid Gods” (Romeinen 3:23).
Paulus verklaarde: “Wij weten immers, dat de wet geestelijk is; ik echter been vlees, verkocht onder de zonde. Want wat ik uitwerk, weet ik niet; want ik doe niet wat ik wens, maar in dat waarvan ik een afkeer heb, dat doe ik” (Romeinen 7:14, 15).
Paulus bespreekt onze hopeloze toestand wegens de zwakheid van ons vlees. “Zo vind ik dan deze regel:” Paulus vervolgt, “als ik het goede wens te doen, is het kwade bij mij aanwezig; want naar de inwendige mens verlustig ik mij in de wet Gods, maar in mijn leden zie ik een andere wet, die strijd voert tegen de wet van mijn verstand en mij tot krijgsgevangene maakt van de wet der zonde, die in mijn leden is.”
“Ik, ellendig mens! Wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods? Gode zij dank door Jezus Christus, onze Here! Derhalve ben ik zelf met mijn verstand dienstbaar aan de wet Gods, maar met mijn vlees aan de wet der zonde” (Romeinen 7:21 t/m 26).
De geest is gewillig, maar het vlees is zwak: de innerlijke wil kan dus gericht zijn op het goede, terwijl de mens in zichzelf niet de kracht bezit om dat goede volmaakt te doen.
Christus als enige verlossing
Alleen Christus kan ons uit de zwakheid van ons vlees redden. Door Jezus Christus kunnen wij, Gode zij dank, verlost worden van de straf voor onze zonden.
De Apostelen zouden uitgaan en prediken dat Jezus Christus het enige fundament van onze behoudenis is. “Want niemand kan een ander fundament leggen dan hetgeen gelegd is, hetwelk is Jezus Christus, 1 Kor. 3:11.”
De gemeente wordt samengevoegd tot een heilige tempel in de Heere en zij steunen op de uiterste hoeksteen, Jezus Christus. (Ef. 2:21)
De Enige grond van onze redding is Jezus Christus, de Apostelen hebben ook niets anders gepredikt dan de behoudenis in Hem alleen.
“Maar uit Hem zijt gij in Christus Jezus, die ons geworden is wijsheid van God, en rechtvaardigheid, en heiligmaking, en verlossing, 1 Kor. 1:30.”
“Want ik heb niet voorgenomen iets te weten onder u dan Jezus Christus en dien gekruisigd 1 Kor. 2:2”
De Heere Jezus gaat, nadat Hij gezegd heeft dat de gemeente op deze belijdenis zal gegrond worden verder met Zijn discipelen te vertellen dat Hij veel zal moeten lijden van de ouderlingen, overpriesters en schriftgeleerden, dan zal Hij gedood en ten derde dage weer opgewekt worden. (Matth. 16:21)
En wat doet Petrus? Hij begint de Heere Jezus te bestraffen en zegt: ‘God zij u genadig; dit zal u geenszins geschieden.’ Petrus zegt eigenlijk, God zal er voor zorgen dat dat niet zal gebeuren.
Wat begreep Petrus toch weinig van de werkelijke inhoud van Christus werk. Wat kunnen we in onze ijver toch dwaze dingen zeggen.
Als Christus niet zou lijden en sterven en niet zou opstaan, dan zou Petrus geen zaligheid kennen. Dan zou Petrus nooit verlost zijn geworden uit de helse klauwen satan, maar voor eeuwig zijn omgekomen.
Petrus zat zo vol goede bedoelingen, hij had zijn Meester zo lief maar in werkelijkheid deed hij zijn Meester pijn.
Jezus keert zich om en zegt tot Petrus, ‘Ga weg achter Mij, satanas, gij zijt mij een aanstoot; want gij verzint niet de dingen die Gods zijn, maar die der mensen zijn, Matth. 16:23.’
Door verkeerde liefde stond hij Jezus in de weg en daarom noemt Jezus hem een satan, op dit moment was Petrus een verzoeker een tegenpartij.
Het vlees kruisigen
Petrus en wij met hem willen van geen verdrukking horen. Maar Jezus zegt: ‘Zo iemand achter Mij wil komen, die verlochene zichzelf en neme zijn kruis op en volge Mij. Want zo wie zijn leven zal willen behouden, die zal het verliezen; maar zo wie zijn leven verliezen zal om Mijnentwil die zal het vinden, Matth. 16:24,25.’
Het leven met Christus is een kruisdragend leven, een leven waarin alles ons lijkt te ontvallen en juist dat is nodig om met Hem te overwinnen.
Zonder kruisdragen, zijn we geen volgelingen van onze Heere Jezus. Dit kruis kan zich op vele manieren voordoen, maar ten alle tijden betekent het een kruisigen van het vlees en een zien op Jezus onze Overwinnaar en dan alleen kunnen wij dit kruis dragen.
Wat een strijd kan het zijn om kruisdrager te zijn. Vandaag hebben we moed en zijn we gewillig om het te dragen maar morgen willen we het in stukken slaan.
Maar weet dat Hij ons in alles is gelijk geworden, zonder de zonden, Hij kent onze pijnen, ons verdriet en ons uitzien. Hij kent onze zwakheden en, hoe groot!
Hij weet precies hoe zwaar ons kruis moet zijn. Hij heeft eerst onze schouders gemeten voordat Hij het kruis er op legde.
Hij heeft ons een kruis gegeven opdat wij niet in onszelf zouden roemen maar in Hem die al onze liefde waardig is.
Hij die zichzelf vrijwillig aan het kruis liet nagelen om onze zonden. Hij heeft de helse angsten willen lijden om ons er van te bevrijden, zouden wij dan dat lichte kruis niet willen dragen?
Maar laten wij bedenken, dat wij nu weten wat het werkelijke werk van Christus was, Petrus kon dit nog niet weten. Petrus wist nog niet hoe Jezus daar straks als een vloek zou hangen, om zijn en onze vloek weg te nemen.
Van gewilligheid naar geestelijk leven
Gelovigen moeten Christus aandoen om behouden te worden. “Maar doet de Here Jezus Christus aan en wijdt geen zorg aan het vlees, zodat begeerten worden opgewekt” (Romeinen 13:14).
Hoe kunnen wij Christus aandoen en wat betekent dit? Paulus legde uit: “Want gij allen, die in Christus gedoopt zijt, hebt u met Christus bekleed” (Galaten 3:27).
Een gelovige, die zich van zijn zonden heeft bekeert, krijgt door de doop de toegang tot de offerdood van Christus.
“Of weet gij niet, dat wij allen, die in Christus Jezus gedoopt zijn, in zijn dood gedoopt zijn? Wij zijn dan met Hem begraven door de doop in de dood, opdat, gelijk Christus uit de doden opgewekt is door de majesteit des Vaders, zo ook wij in nieuwheid des levens zouden wandelen” (Romeinen 6:3, 4).
“Want wie Christus Jezus toebehoren, hebben het vlees met zijn hartstochten en begeerten gekruisigd” (Galaten 5:24).
In Christus wandelen wij naar de Geest i.p.v. naar het vlees. In Christus zijn wij een nieuwe schepping.
Wij hebben een geestelijke perspectief: “Zo kennen wij dan van nu aan niemand naar het vlees. Indien wij al Christus naar het vlees gekend hebben, thans niet meer. Zo is dan wie in Christus is een nieuwe schepping; het oude is voorbijgegaan, zie, het nieuwe is gekomen” (2 Korintiërs 5:16, 17).
Dit nieuw leven in Christus betekent dat wij niet meer naar het vlees wandelen, maar naar de Geest. Onze wandel is hoe wij ons gewoonlijk gedragen.
Wandelen naar de Geest
“Zo is er dan nu geen veroordeling voor hen, die in Christus Jezus zijn. Want de wet van de Geest des levens heeft u in Christus Jezus vrijgemaakt, van de wet der zonde en des doods.”
“Want wat de wet niet vermocht, omdat zij zwak was door het vlees - God heeft, door zijn eigen Zoon te zenden in een vlees, aan dat der zonde gelijk, en wel om de zonde, de zonde veroordeeld in het vlees, opdat de eis der wet vervuld zou worden in ons, die niet naar het vlees wandelen, doch naar de Geest” (Romeinen 8:1 t/m 4).
Naar de Geest wandelen betekent dat wij ons richten op de dingen van de Geest: “Want zij, die naar het vlees zijn, hebben de gezindheid van het vlees, en zij, die naar de Geest zijn, hebben de gezindheid van de Geest” (Romeinen 8:5).
De gezindheid van de Geest hebben, betekent dat onze denkwijze door Gods Geest wordt geleid.
Paulus verklaart: “Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, gezeten aan de rechterhand Gods. Bedenkt de dingen, die boven zijn, niet die op de aarde zijn.”
“Want gij zijt gestorven en uw leven is verborgen met Christus in God. Wanneer Christus verschijnt, die ons leven is, zult ook gij met Hem verschijnen in heerlijkheid.”
“Doodt dan de leden, die op de aarde zijn: hoererij, onreinheid, hartstocht, boze begeerte en de hebzucht, die niet anders is dan afgoderij” (Kolossenzen 3:1 t/m 5).
Onze gezindheid is een kwestie van leven en dood. “Want de gezindheid van het vlees is de dood, maar de gezindheid van de Geest is leven en vrede.”
“Daarom dat de gezindheid van het vlees vijandschap is tegen God; want het onderwerpt zich niet aan de wet Gods; trouwens, het kan dat ook niet: zij, die in het vlees zijn, kunnen Gode niet behagen” (Romeinen 8:6 t/m 8).
De werken van het vlees en de vrucht van de Geest
“Dwaalt niet, God laat niet met Zich spotten. Want wat een mens zaait, zal hij ook oogsten. Want wie op (de akker van) zijn vlees zaait, zal uit zijn vlees verderf oogsten, maar wie op (de akker van) de Geest zaait, zal uit de Geest eeuwig leven oogsten” (Galaten 6:7, 8).
“Gij daarentegen zijt niet in het vlees, maar in de Geest, althans, indien de Geest Gods in u woont. Indien iemand echter de Geest van Christus niet heeft, die behoort Hem niet toe.”
“Indien Christus in u is, dan is wel het lichaam dood vanwege de zonde, maar de geest is leven vanwege de gerechtigheid.”
“En indien de Geest van Hem, die Jezus uit de doden heeft opgewekt, in u woont, dan zal Hij, die Christus Jezus uit de doden opgewekt heeft, ook uw sterfelijke lichamen levend maken door zijn Geest, die in u woont.”
“Derhalve, broeders, zijn wij schuldenaars, maar niet van het vlees, om naar het vlees te leven. Want indien gij naar het vlees leeft, zult gij sterven; maar indien gij door de Geest de werkingen des lichaams doodt, zult gij leven.”
“Want allen, die door de Geest Gods geleid worden, zijn zonen Gods” (Romeinen 8:9 t/m 14).
Het vlees moeten wij kruisigen. “Want wie Christus Jezus toebehoren, hebben het vlees met zijn hartstochten en begeerten gekruisigd” (Galaten 5:24).
De redding uit genade betekent niet dat wij aan de begeerten van het vlees mogen toegeven. “Mogen wij bij de zonde blijven, opdat de genade toeneme? Volstrekt niet! Immers, hoe zullen wij, die der zonde gestorven zijn, daarin nog leven?” (Romeinen 6:1, 2).
Paulus schreef, “Ik tuchtig mijn lichaam en houd het in bedwang, om niet, na anderen gepredikt te hebben, wellicht zelf afgewezen te worden” (1 Korintiërs 9:27).
“Want gij zijt geroepen, broeders, om vrij te zijn; (gebruikt) echter die vrijheid niet als een aanleiding voor het vlees” (Galaten 5:13).
“Wandelt door de Geest en voldoet niet aan het begeren van het vlees. Want het begeren van het vlees gaat in tegen de Geest en dat van de Geest tegen het vlees - want deze staan tegenover elkander - zodat gij niet doet wat gij maar wenst” (Galaten 5:16, 17).
Wat betekent het om naar het vlees te wandelen?
“Het is duidelijk, wat de werken van het vlees zijn: hoererij, onreinheid, losbandigheid, afgoderij, toverij, veten, twist, afgunst, uitbarstingen van toorn, zelfzucht, tweedracht, partijschappen, nijd, dronkenschap, brasserijen en dergelijke, waarvoor ik u waarschuw, zoals ik u gewaarschuwd heb, dat wie dergelijke dingen bedrijven, het Koninkrijk Gods niet zullen beërven” (Galaten 5:19 t/m 21).
En wat betekent het om naar de Geest te wandelen?
“Maar de vrucht van de Geest is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid, zelfbeheersing.”
“Tegen zodanige mensen is de wet niet. Want wie Christus Jezus toebehoren, hebben het vlees met zijn hartstochten en begeerten gekruisigd.”
“Indien wij door de Geest leven, laten wij ook door de Geest het spoor houden” (Galaten 5:22 t/m 25).
Waakzaamheid, gebed en het vermijden van verleiding
Jezus zei niet alleen dat de geest gewillig is, maar ook: “Waakt en bidt, dat gij niet in verzoeking komt.” De juiste reactie op menselijke zwakheid is dus niet zorgeloosheid, maar waakzaamheid en gebed.
Verleidingen moeten wij weerstaan en vermijden. Tegen de vele onvermijdelijke verleidingen in het leven moeten wij weerstand bieden.
“Gij hebt geen bovenmenselijke verzoeking te doorstaan. En God is getrouw, die niet zal gedogen, dat gij boven vermogen verzocht wordt, want Hij zal met de verzoeking ook voor de uitkomst zorgen, zodat gij ertegen bestand zijt” (1 Korintiërs 10:13).
Zo veel mogelijk moeten wij de verleidingen uit de weg gaan. Welke waarde heeft het gebed, “Leid ons niet in verzoeking,” indien wij gaan waar wij verzocht zullen worden?
Iemand die een probleem met de drank heeft, moet niet op café gaan, of iemand bezoeken die hij weet hem zal proberen te doen drinken.
Jonge mensen die uitgaan moeten situaties vermijden waar zij misschien verleid zouden worden om ontucht te plegen.
Wij moeten mensen vermijden die proberen ons te overhalen verkeerde dingen te doen. Paulus waarschuwt, “Misleidt uzelf niet; slechte omgang bederft goede zeden” (1 Korintiërs 15:33).
Dit geldt eveneens voor slechte omgang via sociale media.
Het gebruik in het dagelijks Nederlands
De uitdrukking wordt in het dagelijks Nederlands meestal gebruikt in de betekenis van: iemand wil iets wel, maar kan het lichamelijk of praktisch niet opbrengen.
“De geest is gewillig, maar het vlees is zwak” kan bijvoorbeeld worden gezegd wanneer iemand van plan is vroeg op te staan, gezond te leven of te gaan sporten, maar uiteindelijk toegeeft aan vermoeidheid of gemakzucht.
Volgens Spreekwoorden uit 1914 wordt dit woord meermalen “op schertsenden toon” gebruikt. Daarmee is de uitdrukking in veel situaties losgekomen van haar oorspronkelijke ernstige, religieuze betekenis.
In het moderne gebruik klinkt de zegswijze vaak humoristisch of relativerend. In de Bijbel is de betekenis echter indringender: de mens moet zichzelf niet overschatten, omdat goede bedoelingen zonder waakzaamheid en gebed niet voldoende zijn.
| Onderdeel | Betekenis |
|---|---|
| De geest | De innerlijke wil en gezindheid om het goede te doen |
| Het vlees | De lichamelijke zwakheid met verlangens, gevoelens en angsten |
| Gewillig | Bereid en verlangend om God te gehoorzamen |
| Zwak | Onmachtig om de goede bedoeling steeds uit te voeren |
| Waakt en bidt | Blijf alert en zoek kracht bij God |
De uitdrukking als waarschuwing en aansporing
De woorden “de geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak” beschrijven niet alleen een probleem, maar bevatten ook een aansporing. Wie zijn eigen kwetsbaarheid kent, zal minder snel op eigen kracht vertrouwen.
Wij moeten soms vallen, zodat we leren dat er in ons geen kracht is en dat daardoor ons oog op God gericht mag zijn. God wil alle eer ontvangen.
En in Hem zijn wij meer dan overwinnaars. We horen Petrus zeggen ‘Heere tot wie zullen wij anders heengaan? Gij hebt de woorden des eeuwige levens, Joh. 6:68.’
Petrus was er van overtuigd dat Jezus, de Zoon van de levende God is. En als hij dit getuigt dan zegt Jezus: ‘Zalig zijt gij, Simon Bar-Jona want vlees en bloed heeft u dat niet geopen-baard maar Mijn Vader, die in de hemelen is.’
De gemeente zal gegrond zijn op deze belijdenis. Alle leden van deze zalige gemeente hebben de belijdenis in hun hart en op hun tong, dat Jezus is de Christus de Zoon van de levende God.
De Messias die komen zou. De Redder van de mensen. Zij kennen de kracht van Zijn bloed, de kracht van Zijn liefde.
De plaats van gebed en afhankelijkheid
Petrus, Jacobus en Johannes, de drie discipelen die Jezus het meest bij Zich had, mochten met Hem mee de berg op. Jezus zocht de eenzaamheid op om te bidden.
Hij wilde stil zijn, dichtbij Zijn Vader zijn met heel Zijn hart. Teruggetrokken uit het rumoer van alle dag.
Wat heerlijk dat ook wij 7 dagen per week 24 uur per dag mogen schuilen bij God, God die al onze gedachten kent, bij Hem die al de schuilhoeken van ons hart ziet, voor Hem hoeven we geen geheimen, geen schaamte en geen terughoudendheid te hebben.
Hij zal ons nooit ledig wegsturen, nooit zeggen, nu even niet. Nee Hij verwijt ons nooit iets.
Al roepen we duizendmaal om kracht tegen de zonde en moeten we steeds weer ervaren dat we zo krachteloos zijn. Hij wil ons leren, dat we zonder Hem niet kunnen doen.
De betekenis van de uitdrukking komt daarmee volledig naar voren: goede wil is waardevol, maar menselijke kracht schiet tekort; daarom zijn waakzaamheid, gebed en afhankelijkheid van Christus noodzakelijk.